Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde

Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde

Type: instituut
Andere namen: afkorting: HIKO
naamsverandering: Instituut voor Oudheidkunde en Beschavingswetenschap (1917-1918)
naamsverandering: Institut Supérieur d’Art et d’Archéologie, annexé à la Faculté de Philosophie et Lettres (1921-1923)
naamsverandering: Hooger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (1923-1947)
vertaling: Hooger Instituut voor Kunst en Oudheidkunde (1920)
vertaling: Institut Supérieur d’Histoire de l’Art et d’Archéologie, annexé à la Faculté de Philosophie et Lettres (1923-1925)
Periode: 1917-1918, 1920-13/06/1986
Functies:Het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde heeft een dubbel doel: de wetenschappelijke opleiding en vorming van kunsthistorici en archeologen en het onderzoek op diverse gebieden van de kunstgeschiedenis en oudheidkunde.
In 1985/1986 (het laatste academiejaar dat het HIKO bestaat) verleent het instituut de wetenschappelijke graden en diploma’s van kandidaat, licentiaat, geaggregeerde voor het hoger secundair onderwijs, doctor en speciaal doctor in de kunstgeschiedenis en oudheidkunde.
In de licenties worden volgende richtingen onderscheiden:
• Grieks-Romeinse en Nationale Archeologie
• Archeologie van het Nabije Oosten
• Plastische Kunst
• Etnische Kunst
• Musicologie
Geschiedenis: Al voor 1914 worden er aan de Gentse faculteit Letteren en Wijsbegeerte meerdere cursussen gegeven die de grondslag zullen vormen van het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis. Tijdens de Duitse bezetting in de Eerste Wereldoorlog wordt korte tijd een Instituut voor Oudheidkunde en Beschavingswetenschap opgericht. Dit instituut verdwijnt samen met de Von Bissing-universiteit. Enkele jaren later wordt bij KB van 31 augustus 1920 opnieuw een Hooger Instituut voor Kunst en Oudheidkunde opgericht, dat dit keer ettelijke decennia zal bijven bestaan.

Het Hooger Instituut voor Kunst en Oudheidkunde wordt toegevoegd aan de faculteit Wijsbegeerte en Letteren. Jaarlijks worden door de leden van het onderwijzend personeel een voorzitter en secretaris gekozen, naar analogie met de decaan en secretaris van de faculteiten. De leden van het onderwijzend personeel houden vergadering buiten de gewone zittingen van de faculteit om vragen te bespreken die tot de bevoegdheid van het instituut behoren.

Aan het HIKO kunnen de wetenschappelijke graden van kandidaat (na 2 jaar), van licentiaat (1 jaar) en doctor in de kunst en oudheidkunde behaald worden. In de volgende jaren wordt het studieprogramma regelmatig aangepast. Dit leidt in 1942 tot een verlenging van de studieduur van het licentiaat tot 2 jaar en in 1943 tot de splitsing van de licentie in een sectie Oudheid en een sectie Middeleeuwen en Moderne Tijden. In 1946 wordt een derde sectie ‘Primitieve en niet-Europese kunst’ ingericht en wordt ook het maken van een licentieverhandeling verplicht. Ondertussen wordt het ook mogelijk om een speciaal doctoraat in de kunstgeschiedenis Raad van Beheer 22 juni 1960, gewijzigd door Raad van Beheer 17 juni 1968)

Op 20 april 1966 keurt de Raad van Beheer een programmahervorming goed. De kandidatuur wordt gesplitst in een richting Oudheid en een richting Middeleeuwen en Moderne Tijden met een aantal gemeenschappelijk vakken en in de licentie wordt de sectie ‘Primitieve en niet-Europese kunst’ omgevormd tot sectie ‘Niet-Westerse kunstgeschiedenis en archeologie’. Begin jaren 1970 is het curriculum opnieuw onderhevig aan wijzigingen. Vanaf het academiejaar 1970/1971 wordt in de licentie een vierde sectie ‘Musicologie’ ingericht (besluit van de Raad van Beheer van 15 april 1970) en op 17 maart 1971 keurt de Raad van Beheer nogmaals een hervorming goed. De licenties bestaan voortaan uit vijf richtingen:
A. Grieks-Romeinse en nationale archeologie
B. Archeologie van het Nabije Oosten
C. Plastische kunsten
D. Etnische kunst
E. Musicologie

De afdelingen A, B en D volgen op de kandidatuur oudheid, de afdelingen C en E worden gevolgd na de kandidatuur Middeleeuwen, nieuwe en nieuwste tijden.

Op 13 juni 1986 beslist de Raad van Beheer dat het HIKO wordt opgenomen in de faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte.

Elienne Langendries, archivaris UGent, 2012
Voorzitter: Jolles, André (1917-1918)
Van Puyvelde, Leo (1920-1926)
Vermeylen, August (1926-1930)
Van de Velde, Henry (1930-1936)
Speleers, Louis (1936-1938)
Van de Weerd, Hubert (1938-1940)
Van der Mueren, Floris (1940-1942)
De Keyser, Paul (1942-1944)
Leurs, Stan (1944-1945)
Van de Weerd, Hubert (1944-1946)
Roggen, Domien (1946-1948)
Olbrechts, Frans (1948-1949)
Duverger, Jozef (1949-1951)
Bouchery, Herman (1951-1953)
Scharpé, Adriaan (1953-1955)
De Laet, Sigfried (1955-1957)
Vandenhoute, Jan (1957-1959)
Van der Mueren, Floris (1959-1960)
De Keyser, Paul (1960-1961)
Vanden Berghe, Louis (1961-1963)
Duverger, Jozef (1963-1966)
D'Hulst, Roger (1966-1969)
De Maeyer, Marcel (1969-1971)
Broeckx, Jan (1971-1973)
Mussche, Herman (1973-1976)
Plancke, Marc (1976-1979)
De Meyer, Leon (1979-1982)
Mussche, Herman (1982-1984)
De Maeyer, Marcel (1984-1985)
Plancke, Marc (1985-1986)
Structuur:Opgericht als hoger instituut gehecht aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte

Bij besluit van de Raad van Beheer van 13/06/1986 wordt het HIKO opgenomen in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Naast de dienst van de voorzitter en de Bibliotheek bestond het HIKO nog uit 11 seminaries:
  • Seminarie voor Plastische Kunsten in de Nederlanden

  • Seminarie voor Plastische Kunsten in Europa

  • Seminarie voor Musicologie

  • Seminarie voor Etnische Kunst, met Etnografische Verzamelingen

  • Seminarie voor Antropologie

  • Seminarie voor de Archeologie en de Cultuurgeschiedenis van het Oude Nabije Oosten

  • Seminarie voor Geschiedenis van de Bouwkunst en Middeleeuwse Archeologie

  • Seminarie voor Griekse Archeologie

  • Seminarie voor Kunstnijverheid en Industriële Vormgeving

  • Seminarie voor Bijzondere Methodiek van de Kunstgeschiedenis

  • Seminarie voor Methodologie van de Kunstgeschiedenis
Actoren:opgenomen in: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte (1986)
heeft link met: Studiekring voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis
heeft als onderdeel: Seminarie voor Etnische Kunst, met Etnografische Verzamelingen (1954-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Bijzondere Methodiek van de Kunstgeschiedenis H.S.O. (1969-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Antropologie (1981-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Plastische Kunsten In Middeleeuwen, Nieuwe en Nieuwste Tijden (1953-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Musicologie (1954-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Geschiedenis van de Bouwkunst en Middeleeuwse Archeologie (1955-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor de Archeologie en de Kunstgeschiedenis van Het Nabije Oosten (1962-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Griekse Archeologie (1954-1986)
heeft als onderdeel: Centrum voor Geschiedenis van de Textielkunst en de Tapijtkunst (1951-1960)
heeft als onderdeel: Bibliotheek van de Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde (1981-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Kunstnijverheid en Industriële Vormgeving (1955-1986)
heeft als onderdeel: Seminarie voor Methodologie van de Kunstgeschiedenis (1971-1986)
voorganger van: Vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen
Archieven:Archief Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde
Bronnen: Koninklijk Besluit (31/08/1920).
Archief Universiteit Gent, Archief Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Wetteksten, 1920-1953, ARUG_6L_001.
Archief Universiteit Gent, Beleidsdossiers Academische Aangelegenheden. 1940-2000. Hervorming van de studiën in de kunstgeschiedenis en de oudheidkunde, musicologie. 1957-1971, ARUG_4A2_6_1030.
Archief Universiteit Gent, Notulen Raad van Beheer, 13/06/1986, agendapunt 2.
Luykx, Theo. Gedenkboek van de Rijksuniversiteit Gent na een kwarteeuw vervlaamsing 1930-31 - 1955-56. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1957, p. 131-140.
Vijfentwintig jaar Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Gent, 1986.
Citeren: Archief Universiteit Gent, Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde, AU0158