Opleiding Psychologie

Opleiding Psychologie

Periode: 1857 - ...
Andere namen: andere: Zielkunde (1923-1960)

Geschiedenis:

Eerste fase: Psychologie als een vorm van filosofie

1817-1857: psychologie als onontgonnen terrein

Gedurende de eerste periode van de Gentse universiteit wordt geen afzonderlijke cursus psychologie gedoceerd. Wel zijn er reeds vroeg vakken filosofie en moraalwetenschappen. Dit is belangrijk voor het ontstaan van de psychologie. De psychologie wordt immers gedurende lange tijd als een onderdeel van de filosofie beschouwd.

1857-1866: ontstaan van een afzonderlijke discipline in de psychologie

Zoals aan de andere universiteiten is ook in Gent de psychologie in haar ontstaan nauw verbonden met de filosofie. In het academiejaar 1857/1858 wordt in de kandidatuur letteren en wijsbegeerte voor het eerst een cursus psychologie gedoceerd door de geaggregeerde Léon Wocquier. Deze cursus was toen een partim van het vak “Psychologie, logique et philosophie morale”. In de periode 1835-1857 bestaat dit vak al onder de naam “Logique, anthropologie et philosophie morale”. Aanvankelijk doceert François Huet de cursus, tot Wocquier deze in 1951 overneemt. De abrupte vervanging van de term ‘anthropologie’ door ‘psychologie’ in 1857 doet vermoeden dat beide termen op dat ogenblik ongeveer dezelfde lading dekken, en mogelijk door elkaar worden gebruikt. Het onderwijzen van psychologie begint dus wellicht reeds in de beginjaren van de Gentse Universiteit.

Vanaf het academiejaar 1858/1859 wordt Wocquier vervangen door prof. Gustave Callier, die het vak tot zijn overlijden in september 1863 doceert. Voor het academiejaar 1863/1864 treedt mr. J. Barni op als suppliant. Het volgende academiejaar neemt Joseph Delboeuf die taak van hem over. Hij blijft het vak geven tot hij in 1866 naar de Universiteit van Luik verhuist. De beginjaren van het onderwijs in de psychologie verlopen dus relatief instabiel, met vier docenten in negen jaar. Oscar Merten neemt in 1866 de opdracht over. Hij doceert de cursus meer dan twintig jaar.

1866-1890: op zoek naar een vaste eigen benaming voor het vak psychologie onder Oscar Merten

Onder prof. Oscar Merten kent de psychologie een hele periode van stabiliteit, maar kenbaar geen innovatie of uitbreiding. Het vak blijft een partim, maar is een vaste waarde in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Ook de studenten in de wetenschapskandidaturen wonen de lessen bij, tot zij in 1884 een eigen vak “Logique, psychologie, philosophie morale” krijgen.

Met de indiensttreding van Peter Hoffman in 1882 splitst de “Philosophie morale” zich af van de psychologie en logica. Logica en psychologie gaan door als partims van het vak “Psychologie et logique”. (Dit gaat later voor sommige faculteiten doorgaan tot rond 1970).

Uiteindelijk verlaat prof. Merten de Gentse universiteit in 1889. Georges Hulin de Loo volgt hem op, maar blijft slechts één academiejaar verantwoordelijk voor het vak “Psychologie et logique”. Hij blijft wel het vak in de wetenschapskandidaturen geven.

1890-1914: innovatie, eerste stappen naar een meer wetenschappelijke aanpak van de psychologie onder Van Biervliet

Bij de indiensttreding van prof. Jules Van Biervliet in 1890/1891 splitst het vak “Psychologie et Logique” in twee. Onder Van Biervliet ontstaat zo voor het eerst in de geschiedenis van de Gentse universiteit een duidelijk afgetekend psychologisch vak: “Psychologie et notions élémentaires d’anatomie et de physiologie”.

Van Biervliet richt – naar Wundts voorbeeld in Leipzig – een Laboratorium voor Experimentele Psychologie op, het eerste in België. Hij wil via een meer experimentele methodologie onderzoek verrichten, los van de filosofische traditie. Het is zijn verdienste dat een meer medisch-fysiologische kijk wordt geïntroduceerd in het voorheen zuiver filosofische vak psychologie. Ook de nieuwe naam van de cursus (waarin nu ruimte is voor ‘anatomie’ en ‘physiologie’) getuigt hiervan. De koppeling met anatomie en fysiologie zal lang blijven bestaan. Voor een goed begrip van de psychologie is immers een zekere anatomische en fysiologische kennis van de zintuigen noodzakelijk. Tot einde jaren 1960 wordt daarover meestal een overzicht gegeven in de eerste hoofdstukken van de cursus psychologie, indien deze vakken niet elders in het curriculum voorkomen.

Het vak Psychologie kent onder Van Biervliet een uitbreiding naar andere opleidingen en faculteiten. Reeds in 1890 doceert Van Biervliet een vak “Psychologie” in de kandidatuursopleiding van de faculteit Geneeskunde. In 1894 volgt de kandidatuursopleiding politieke wetenschappen in de faculteit Rechten.

Toch laat de psychologie onder Van Biervliet haar filosofische traditie niet volledig los. Zo is Van Biervliet ook aangesteld als verantwoordelijke voor het vak “Métaphysique” (in de kandidatuur wijsbegeerte en letteren) en doceert hij samen met Hoffman en Hulin De Loo een nieuw vak, “Étude approfondie de questions de psychologie, de logique et de morale”, om de “grade de docteur en philosophie et lettres”, in de afstudeerrichting “Philosophie” te behalen.

1914-1918: psychologie in de vernederlandste Von Bissing-universiteit

Door de Eerste Wereldoorlog en de Duitse invasie worden de universitaire activiteiten voor twee jaar opgeschort. Pas in 1916 opent een vernederlandste Gentse universiteit opnieuw haar deuren. Men voert het vooroorlogse curriculum opnieuw in, waarbij weliswaar alle lessen in het Nederlands worden gegeven. Ook het Laboratorium voor Experimentele Psychologie blijft behouden, onder de naam “Instituut voor Experimentele Zielkunde”. Zowel het labo als de lessen vallen nu onder de zorg van prof. Paul Menzerath.

1919-1928: restauratie, terugkeer van Van Biervliet, vernederlandsing en de aanstelling van de arts Jan Frans Fransen

Na de bevrijding neemt prof. Van Biervliet opnieuw alle psychologische vakken over, maar niet voor lang. Tegen 1923 zijn de meeste psychologische vakken vernederlandst, waardoor Van Biervliet (behalve voor de Franstalige leergang “Etude approfondie de questions de psychologie”) zijn docerende functie voor de leeropdracht laat varen. Vanaf 1923 worden de psychologische vakken in ijltempo vernederlandst, waardoor Van Biervliet zijn docerende functies één voor één laat vallen. Het vak “Etude approfondie de questions de psychologie, de logique ou de morale” zal hij echter blijven geven tot zijn emeritaat in 1929. Daarnaast blijft hij ook bestuurder van het Laboratorium voor Experimentele Zielkunde.

Na de vernederlandsing van de Universiteit Gent wordt het grootste deel van de onderwijzende taak van prof. Van Biervliet overgenomen door psychiater en licentiaat in de filosofie prof. Jan Frans Fransen (KB 12/10/1923). Fransen heeft zich aanvankelijk bij Michotte van den Berg in Leuven gespecialiseerd in de psychologie (de Wundt school) en nadien in de psychiatrie in München. Hij is in Gent de eerste professor in de Psychologie die men bij een psychologische school kan onderbrengen, met name de Gestaltpsychologie. Voor hem is filosofie en introspectie voorbij, de nadruk ligt op observeren en proberen meten. Het begrip psychotechniek wordt geboren.

In 1923 wordt hij benoemd voor “Zielkunde met de eerste begrippen van de menselijke ontleedkunde en physiologie welke die studie meebrengt” in de kandidaturen wijsbegeerte en letteren, wis- en natuurkunde, en natuurwetenschappen. In 1926 komt daar de kandidatuur aardrijkskunde bij. Ook in de geneeskunde wordt “Zielkunde” gedoceerd. Bij zijn aanstelling in 1923 wordt prof. Fransen benoemd voor de vakken “Zielkunde met inbegrip van de aanvankelijke beginselen der menschelijke ontleedkunde” in de kandidaturen wijsbegeerte en letteren, en “Zielkunde” in de kandidaturen staatswetenschappen aan de faculteit Rechten. Het daaropvolgende academiejaar neemt hij ook de psychologievakken in de kandidaturen wis- en natuurkunde, natuurwetenschappen, aardrijkskunde en lichamelijke opvoeding over. In 1925 en 1926 volgen tot slot de psychologievakken in de geneeskunde, en in het doctoraat handelswetenschappen. Op het einde van zijn loopbaan geeft prof. Fransen algemene psychologie (onder verschillende cursustitels) in de kandidaturen van nagenoeg alle opleidingen van alle faculteiten. Psychologie behoort naast filosofie of logica in bijna alle richtingen tot de algemene vorming in de kandidaturen.

Tweede Fase: Begin van de psychologie als zelfstandige maar vooral als toegepaste wetenschap

Op 19/11/1927 wordt het Hooger Instituut voor Opvoedkunde (HIO) opgericht. Prof. Fransen wordt in 1928 benoemd voor een hele reeks nieuwe psychologische vakken, die de daaropvolgende jaren een belangrijke rol zullen spelen in de verdere ontwikkeling van een eigen psychologische opleiding.

Volgende vakken worden toegevoegd aan zijn opdracht:

  • “Zielkunde met de eerste begrippen vd menselijke ontleedkunde en physiologie welke die studie meebrengt” = “Zielkunde, met inbegrip van de beginselen der menschelijke ontleedkunde en physiologie welke deze studie medebrengt”?
  • “Proefondervindelijke zielkunde en inzonderheid die van het kind en van de jeugd” = “Proefondervindelijke zielkunde en inzonderheid die van het kind en van de jongelieden”?
  • “Grondige vraagstukken uit de proefondervindelijke zielkunde”

Later komen daar nog bij:

  • “Zielkunde van het kind en de adolescent”
  • “Proefondervindelijke zielkunde”
  • “Differentiële zielkunde”
  • “Zielkunde en proefondervindelijke opvoedkunde: partim”
  • “Oefeningen en praktische werken over proefondervindelijke zielkunde”
  • “Beginselen en methoden der psychotechniek”.

Fransen wordt de eerste van de Founding Fathers van de Psychologie te Gent.

In 1947 slaagt men er in de naam van het instituut te veranderen naar “Hoger Instituut voor Opvoedkundige Wetenschappen” (HIOW), duidelijk met de bedoeling een meer wetenschappelijke weg in te slaan. De meer psychometrische en experimentele inslag van de psychologie is daar niet helemaal vreemd aan. Vanaf 1947 worden de eerste stappen gezet naar een echte opleiding Psychologie. Fransen speelt een belangrijke rol in de oprichting en uitwerking van dit instituut. Hij doceert er niet alleen vele leergangen, maar is er ook de eerste voorzitter van.

Wetenschappelijk is Fransen vooral op de eigenlijke experimentele psychologie gericht. Toch vraagt ook de maatschappelijke implicatie van de psychologie sterk zijn aandacht. Hij is begaan met wat zich afspeelt in de praktijk van de psychologie. Her en der ontstaan extra universitaire opleidingen. Het werkveld, waaronder de diensten voor beroepsoriëntering en de aankomende PMS-centra, vraagt dringend naar professioneel opgeleide universitaire psychologen. Filosofische en medische middens zijn echter eerder terughoudend om ook in Belgische universiteiten eigen autonome opleidingen psychologie in te richten of de naam “psycholoog” als afstudeerrichting en beroep te laten creëren.

Om te voorzien in een dringende behoefte van gezin, school en industrie, verenigt Fransen in 1940 enkele medewerkers om zich heen met wie hij een opleiding voor beroepsadviseurs en psychotechnici uitwerkt. Behalve tot de creatie binnen zijn labo van een centrale dienst “Universitaire dienst voor beroepsoriëntering” (met Leo Coetsier voor de praktische leiding), geeft dit aanleiding tot een opleiding voor “beroepsadviseurs”, onder de verantwoordelijkheid van een “Universitaire commissie voor opleiding van beroepsadviseurs” (voorgezeten door prof. Fransen). Deze opleiding verricht pionierswerk, zij het eigenlijk in de marge van de universiteit, waarvan ze de lokalen gebruikt. De diploma’s worden afgeleverd overeenkomstig het KB van 1936 op de beroepsadviseurs, voor wie in het Gentse geen schijn van een ernstige opleiding bestond. Dit verklaart waarom, hoewel Fransen zich bewust is van bredere problemen rond psychologie in de maatschappij, de verouderde termen “beroepsadviseurs” en “beroepsoriëntering” op de voorgrond blijven.

Na een wat geremde evolutie ten gevolge van de oorlogsomstandigheden, geeft het initiatief van de door Fransen gestichte “Universitaire Commissie” aanleiding tot de oprichting van de licentie in de “Beroepsoriëntering en -selectie” in 1947 (Regentsbesluit 13/01/1947). Men richt de opleiding op binnen het omgevormde Hoger Instituut voor Opvoedkundige Wetenschappen, in principe in afwachting van een erkenning als richting (toegepaste) psychologie. Ondanks de pioniersarbeid van Gent, betwist men aan de Rijksuniversiteiten op dat ogenblik nog steeds de mogelijkheid om dit te doen. Het diploma “Licentiaat in de Beroepsoriëntering en -selectie” sluit op dat moment het best aan bij de directe vraag op de arbeidsmarkt. Zo worden gevoeligheden uit de filosofische hoek omzeild.

1947-1964: drie founding fathers: de professoren Jan Fransen, Leo Coetsier en William De Coster staan in voor het centrale deel van de opleiding in de psychologie en realiseren een basis voor wetenschappelijk onderzoek en dienstverlening

Door de oprichting in 1947 van de studierichting “Beroepsoriëntering en –selectie” word definitief de basis gelegd voor een opleiding psychologie. Naast het seminarie en laboratorium voor Experimentele Psychologie onder prof. Fransen in de Universiteitsstraat, ontstaat het embryo voor wat later het seminarie en laboratorium voor Bijzondere Beroepskeuze en Experimentele Psychologie van prof. Maurice Doms zal worden (ook in de Universiteitsstraat).

Prof. Leo Coetsier, de tweede Founding Father, verbouwt de Universitaire Dienst voor Beroepsoriëntering (afkomstig uit de het labo van Fransen) langzaam tot een laboratorium en seminarie voor Toegepaste Psychologie (Korte Meir, later Coupure 86). Het zwaartepunt van de oefeningen en praktijkervaring van de licentiestudenten ligt in dit laatste labo, tot de komst van de derde Founding Father prof. William De Coster in 1957. De psychodiagnostiek ondersteunt zowel de raadgevingspraktijk voor kinderen, adolescenten als volwassenen.

Psychologisch onderzoek voor jongeren en cursussen zijn gestructureerd rond vier fasen en onderzoek van volwassenen:

  1. aanvang lager onderwijs (schoolrijpheid, afasie, dyslexie, dysgrafie, dyscalculie en gedragsstoornissen),
  2. overgang lager onderwijs/middelbaar onderwijs (intelligentie, differentiële geschiktheden, leer- en gedragsstoornissen),
  3. overgang lagere naar hogere cyclus in het middelbaar onderwijs (intelligentie, beroepsvoorkeur, gedragsstoornissen en studieoriëntering),
  4. uitvloei naar de arbeidsmarkt of oriëntering qua niveau en studierichtingkeuze voor hoger onderwijs (maximale actualisatie intelligentie, motivatieonderzoek, inschatting geschiktheid en oriëntatie op alfa-, bèta-, of gammarichting, voorlichting omtrent de structuren en inhoud van het desbetreffend onderwijs).

Studenten nemen deel aan selectieonderzoeken en assessment. De oefeningen zijn georganiseerd in groepjes, op maandag voor de onderzoeken studieoriëntering, op vrijdag voor selectie- en volwassenenonderzoek. Studenten wonen deze onderzoeken bij en nemen eventueel – naargelang hun kunnen – interviews af, of volgen de onderzoeken via een one way mirror. Vanaf het tweede semester maken studenten een intern rapport, dat nadien besproken wordt met een assistent. Vanaf de tweede licentie nemen de studenten zo veel mogelijk deel aan het onderzoek, inclusief het afnemen van interviews, en doen een voorstel tot eindadviesrapport. Het definitieve advies wordt samen met een assistent herwerkt.

Hoewel er in het laboratorium een kleine cel werkzaam is in de psychologische begeleiding van volwassenen, komen de studenten in hun praktische oefeningen slechts weinig in contact met wat men vandaag het echt klinische werk voor volwassenen noemt. Hiervoor zal het wachten zijn op de benoeming van prof. dr. De Coster (KB 07/12/1957) als opvolger van prof. Fransen.

Voor delen van de praktijkopleiding werkt het Laboratorium voor Toegepaste Psychologie samen met andere diensten. De Kliniek voor Kinderziekten van prof. dr. Carlos Hooft stuurt regelmatig patiëntjes voor psychologisch onderzoek. De bijdrage van de psychiatrische instellingen onder leiding van prof. Jacques De Busscher is niet te onderschatten. Verder is op het gebied van de fysiologie prof. Paul Van Uytvanck nauw betrokken.

Vanaf 1947 neemt het Laboratorium voor Toegepaste Psychologie een betekenisvolle plaats in op het gebied van wetenschappelijk onderzoek in het veld van de toegepaste psychologie en diagnostiek. De resultaten daarvan worden in nationale en internationale tijdschriften gepubliceerd. De op België gerichte publicaties verschijnen in de reeks Mededelingen van het Laboratorium voor Toegepaste Psychologie. Het onderzoeksveld oriënteert zich op diagnostische instrumenten, frustratie, organisatie-psychologisch onderzoek, arbeidsmarkt en onderwijsproblematieken, doorstroming in het onderwijs en sociale ontvoogding via onderwijs.

Belangrijk is dat prof. Coetsier zijn eerder aangevangen werk rond het ontwikkelen van psychologische testen met zijn staf weet uit te werken tot een afgewerkt instrumentarium voor de PMS-centra. Binnen de dienst is het door hem opgerichte en door de Belgische dienst voor opvoering van de productiviteit gefinancierde “Instituut der Menselijke Problemen van de Arbeid” een centrum dat zich vooral bezig houdt met arbeidsorganisatie en ergonomie. De ter zake verrichtte tussenkomsten in de industrie brengen Coetsier niet enkel publicaties op, maar ook de zeldzame onderscheiding “Erecadet van de arbeid”.

In het seminarie en laboratorium voor Bijzondere Beroepskeuze en Experimentele Psychologie voorziet prof. Maurice Doms oefeningen op vlak van de ergonomie en de opleiding van mindervaliden. Hij richt voor de studenten prachtig uitgewerkte bedrijfsbezoeken in, uitgekozen naar hoofdstukken uit zijn cursus, telkens rond een bedrijfspsychologisch thema, veelal ergonomisch gericht. Hierdoor blijven zijn cursussen geen zuivere theorie. Voor veel studenten zijn de bezoeken een eerste (en bij sommigen het enige) contact met de industrie. Verder sticht prof. Doms een “Opleidingscentrum voor Mindervaliden”. Hier wordt eerst een “opleiding boekbinden”, later een “opleiding huisschilderen” en nog later een “opleiding paddenstoelen kweken” georganiseerd. Na het emeritaat van prof. Doms kent dit laboratorium nog een uitgesproken groei onder leiding van prof. dr. Alexander Evrard, die kort nadien samen met dr. Stephan Lievens naar de geneeskunde verhuist, waar deze laatste professor wordt. Nadien wordt deze dienst afgeschaft.

De opleiding “Beroepsoriëntering en -selectie” wordt georganiseerd in 2 licentiejaren. De studie is toegankelijk voor iedereen die een universitair kandidatuursdiploma bezit. In 1949 studeren de eerste twee Licentiaten in de beroepsoriëntering en selectie af. In 1957 zijn er 8 en In 1960 zijn er dat al 21. Op hun diploma’s staan volgende vakken:

1e licentie:

  1. Beginselen, methoden, techniek en organisatie van de beroepsoriëntering en -selectie (1e deel) (prof. L. Coetsier)
  2. Algemene en bijzondere beroepskunde (1e deel) (prof. L. Coetsier)
  3. De dokumentatie van de voorlichter met inbegrip van de inrichting van het onderwijs (prof. L. Coetsier)
  4. Beginselen van de psychiatrie en voornamelijk de psychopathologie van het kind (prof. dr. J. De Busscher)
  5. Statistiek toegepast op de zielkunde met praktische oefeningen (prof. dr. A. De Ridder, later prof. dr. H. Picard)
  6. Menselijke biometrie (prof. dr. P. Van Uytvanck)
  7. Proefondervindelijke Zielkunde (prof. dr. F. Fransen, later prof. dr. W. De Coster)
  8. Differentiële Zielkunde (Prof. dr. F. Fransen, later prof. dr. W. De Coster)
  9. Zielkundige en proefondervindelijke opvoedkunde, partim (1e deel) (Prof. dr. F. Fransen, later prof. dr. W. De Coster)
  10. Oefeningen en practische werken in de beroepsoriëntering en -selectie (prof. dr. L. Coetsier)
  11. Oefeningen in de statistiek toegepast op de zielkunde (prof. dr. A. De Ridder, later prof. dr. H. Picard)

2e licentie:

  1. Beginselen, methoden, techniek en organisatie van de beroepsoriëntering en -selectie (2e deel) (prof. L. Coetsier)
  2. Algemene en bijzondere beroepskunde (2e deel) (prof. L. Coetsier)
  3. Stage in de universitaire dienst voor Beroepsoriëntering (prof. L. Coetsier)
  4. De plichtenleer van de schooloriëntering en van de beroepsoriëntering en -selectie (prof. L. Coetsier)
  5. Bijzondere vraagstukken over beroepskunde: experimentele zielkunde, psychologische en experimentele opvoedkunde en beroepskunde (prof. M. Doms)
  6. Economische en beroepsaardrijkskunde van België en Kongo (prof. dr. U. Stuyck)
  7. Fysiologie en hygiëne van de arbeid
  8. Zielkunde en proefondervindelijke opvoedkunde (prof. dr. F. Fransen, later prof. dr. W. De Coster)
  9. Oefeningen in de beroepskunde (prof. dr. L. Coetsier)
  10. Oefeningen in de experimentele zielkunde (prof. dr. F. Fransen, later prof. dr. W. De Coster)
  11. Oefeningen in de algemene fysiologie (prof. dr. P. Van Uytvanck)

Op 1 februari 1957 wordt prof. Fransen toegelaten tot het emeritaat. De kandidatuurscursussen, gebruikelijk “Algemene psychologie” genoemd, gaan naar prof. De Coster (Letteren en wijsbegeerte), prof. Ghysbrecht (Rechten en HIOW), prof. Van der Eecken (Geneeskunde) en prof. Coetsier (Wetenschappen). Op de algemene psychologie na erft prof. De Coster daarnaast alle vakken in het HIOW. Hij wordt de derde Founding Father.

Prof. De Coster leidt meteen ook het seminarie en laboratorium voor Experimentele Psychologie. Hij heeft net als prof. Coetsier het diploma van Doctor in de Pedagogische Wetenschappen en dat van Adviseur inzake Beroepsoriëntering. Zijn streven om zo snel mogelijk het Laboratorium voor Experimentele Psychologie om te dopen naar Laboratorium voor Experimentele, Differentiële en Genetische Psychologie, geeft onmiddellijk te kennen dat hij de twee laatste aspecten minstens even belangrijk vindt als het eerste. Hij geeft op die manier een nieuw élan aan het labo en de cursussen die hem toegewezen zijn. Het uitwerken van deze disciplines in het curriculum van de psychologen is essentieel. Ook op het gebied van de oefeningen wordt zijn bijdrage belangrijk. Zijn aanvulling op de wat eenzijdige oriënterings- en psychodiagnostische aanpak van Coetsier is belangrijk.

Prof. De Coster publiceert in het veld van de “invloed op de ontwikkeling van intelligentie en persoonlijkheid” met speciale aandacht voor de evolutie van de activiteitsvormen en van sociale spanningen. Vandaar ook zijn onderzoek naar de ontwikkelingsverschijnselen in ontwikkelingslanden. In 1965 richt hij een Interuniversitair Centrum voor Ontwikkelingspsychologie op, dat onderzoek doet naar attitudes en motivatie bij miliciens, leerlingen van normaalscholen, jonge delinquenten en adolescenten uit diverse sociale lagen. Met steun van de Van Leer Stichting doet hij onderzoek rond de problematiek van ontwikkelingshandicaps van sociale oorsprong. Hij onderzoekt met zijn medewerkers de opvoedingsfactoren in het gezin, het kinderdagverblijf en de kleuterschool en hun wisselwerking, die ertoe leiden dat tal van kinderen een moeilijk in te halen mentale en sociale achterstand oplopen. Het blijft niet bij studies alleen. Compensatieprogramma’s op het niveau van kleuter- en lagere school worden uitgetest, net als diverse strategieën om ouders meer te betrekken in het opvoedingsgebeuren op school.

Prof. De Coster zal stap voor stap vorm geven aan een meer gestructureerde benadering van de psychologie. Hij stimuleert het inbouwen van afzonderlijk vakken voor “Kinderpsychologie”, “Ontwikkelingspsychologie”, “Differentiële psychologie”, “Sociale psychologie” en “Experimentele psychologie”. Prof. De Coster richt ook een vrije cursus op “Oefeningen in de ontwikkelingspsychologie”.

Prof. Coetsier richt vier vrije cursussen in: “Socio-psychologie van het bedrijfsleven”, “Organisatie en aanpassing van de arbeid aan de mens”, “Tewerkstelling en arbeidsvoorziening” en “Grondige vraagstukken uit de socio-psychologie van het bedrijfsleven”. Vanaf 1962 richt prof. Coetsier de postgraduaat specialisatiecyclus “Personeelsbeleid, Organisatie en aanpassing van de arbeid aan de mens” in. In 1963 volgt nog een postgraduaat specialisatiecyclus met als centraal thema Psychodiagnostiek metrisch en klinisch onderzoek. Prof. Coetsier en een deel van zijn staf enerzijds, en de professoren J. Stinissen (Leuven), P. Drenth (Amsterdam), B. Bierkens en P. Hettema (Nijmegen), A. Husquinet (Luik), P. Van de Broeck (Leiden) en P. Osterrieth (Bruxelles) anderzijds zijn de lesgevers.

Het stimuleren van afzonderlijke vakken en het organiseren van vrije cursussen en postgraduaten door de professoren Coetsier en De Coster zijn natuurlijk niet vrijblijvend. Ze bereiden inhoudelijk en tactisch de curriculumhervorming voor.

Derde Fase: Psychologie als een volwaardige wetenschappelijke discipline maar nog steeds met een dominant toegepast accent

1964-1992: Eindelijk een eigen faculteit met voor de psychologie een specialisering in de twee grote vakgebieden: ontwikkelingspsychologie en bedrijfspsychologie met een eigen kandidatuursopleiding

Het is belangrijk te weten dat de studie Beroepsoriëntering en selectie slechts twee licenties omvat, en dat de toegang tot die studie enkel een kandidatuursdiploma van een universiteit vereist. Het merendeel van de studenten komt weliswaar uit de tweede kandidatuur pedagogiek, maar nagenoeg elk jaar zijn er studenten met een kandidaatsdiploma afkomstig uit de rechten, uit de staats en sociale, uit de geneeskunde of zelfs uit de scheikunde. De licentieopleiding lijdt onder het gebrek aan vooropleiding Statistiek, Ontwikkelingspsychologie, Differentiële psychologie, Psychodiagnostiek, Sociale psychologie, Experimentele psychologie en Bedrijfskunde. In de licenties Beroepsoriëntering en selectie moet men nog enorm veel investeren in basiskennis rond die vakken. Daardoor komt de tijd voor grondige oefeningen, stage en afstudeerwerk in het gedrang. De roep om een hervorming, met als eerste grote punt de inrichting van een eigen kandidatuur, klinkt steeds luider.

Met het KB van 13/06/1964 worden het Hoger Instituut en de aan het instituut verbonden opleidingen stevig hervormd. Met de nieuwe naam Hoger Instituut voor Psychologische en Pedagogische Wetenschappen (HIPPW) krijgt de richting Beroepsoriëntering en -selectie haar echte eigennaam: Psychologie. De rechtstreekse toegang tot de eerste licentie wordt afgeschaft. Er komt een eerste gemeenschappelijke kandidatuur Psychologie en Pedagogische wetenschappen en een tweede kandidatuur Psychologie met twee richtingen: Ontwikkelingspsychologie enerzijds en Bedrijfspsychologie anderzijds. Die twee richtingen worden in de licenties doorgetrokken.

Op 31/03/1968 sterft prof. Leo Coetsier op 59-jarige leeftijd. Hij maakt de door hem zo gewenste hervorming van het Hoger Instituut tot faculteit niet meer mee.

Van 01/04/1968 tot 01/10/1971 zullen dr. Lievens en prof. dr. Pol Coetsier (van de faculteit van de Landbouwwetenschappen en het RUCA) de leeropdracht van prof. Leo Coetsier suppliëren. Het wordt voor de twee jonge supplianten een zwaar karwei. De middelen en het personeel worden plots zeer beperkt. Er zijn geen mogelijkheden meer. Gedurende vier jaar loopt de dienst zo goed als leeg. De opleiding lijdt hieronder, maar het maakt wel een doorstart mogelijk met een heel nieuw aanpak en met nieuwe visies.

Het Hoger Instituut voor Psychologische en Pedagogische Wetenschappen wordt eindelijk een faculteit voor Psychologische en Pedagogische Wetenschappen (FPPW) in 1969. Inzake opleiding wijzigt op korte termijn weinig. De bestaande kandidaats- en licentiaatsopleidingen blijven behouden, plusminus dezelfde vakken worden verder gedoceerd. Door het uitblijven van een afzonderlijke eerste kandidatuur Psychologie, blijft ook de gesplitste tweede kandidatuur met twee richtingen (Ontwikkelingspsychologie en Bedrijfspsychologie) bestaan.

In 1970 krijgt prof. De Coster een eerste geassocieerd docent prof. dr. Remi Baeckelmans. Prof. Baeckelmans richt zich eerder op de algemene en experimentele psychologie.

Na het onverwachte overlijden van prof. Coetsier in 1968, worden vanaf 01/10/1971 vier opvolgers aangesteld: prof. dr. Julien Quackelbeen voor psychologische raadpleging, prof. dr. Rob Lubbers voor oriëntering en psychologische begeleiding, prof. dr. Frederik Musschoot voor personeelsbeleid en prof. dr. Pol Coetsier voor sociopsychologie van het bedrijfsleven en psychodiagnostiek. Prof. Lubbers vertrekt reeds na twee jaar, en wordt in 1981 opgevolgd door prof. dr. Rik Willemaers.

Aanvankelijk blijven de vier opvolgers samen in één dienst (het laboratorium en seminarie voor Toegepaste Psychologie) met één budget maar met verschillende lokalen en adressen. Behalve prof. Lubbers heeft elk van hen 1 wetenschappelijk personeelslid en 1/2 administratief personeelslid.

Al snel gaan de vier docenten hun eigen weg. Er waait een nieuw wind. De klassieke testpsychologie en schoolpsychologie spelen plots een kleinere rol. Prof. Quackelbeen schakelt over naar Psychologische raadpleging en Raadplegingpsychologie, maar duidelijk onder Lacaniaans perspectief. Prof. Musschoot geeft zijn afdeling een nieuwe naam: Personeelsbeleid, Organisatiepsychologie en Ergonomie. Prof. Coetsier houdt het bij Sociopsychologie van het bedrijfsleven en Psychodiagnostiek. De jonge titularissen slaan op publicatiegebied duidelijk een andere weg in. Prof. Quackelbeen focust op Psychoanalyse (meestal in Lacaniaans perspectief). Prof. Coetsier richt zich – na mee de Wisc en Wais voor België en Nederland herwerkt en herijkt te hebben – volledig op onderzoek rond medezeggenschap, betekenis van werk, levensrollen, waarden en stress.

In de jaren 1972-1975 wordt de Faculteit voor Psychologische en Pedagogische Wetenschappen geherstructureerd.

De faculteit heeft intussen sterk aangevoeld dat de uitbouw van het theoretische en experimentele aspect van de psychologie ontbreekt. Na veel overleg introduceert men vanaf de eerste licentie een nieuwe richting:

Theoretische en Experimentele Psychologie. Het is evident dat de dienst van prof. De Coster (in het bijzonder prof. Baekelmans) de meeste en belangrijkste cursussen voor zijn rekening neemt.

In 1974 krijgt prof. De Coster er een tweede en derde docent bij. Prof. Leni Denève zal zich vooral op de ontwikkelingspsychologie richten, prof. André Vandierendonck op experimentele psychologie.

De tijd die is voorzien voor de stage en het maken van een afstudeerwerk blijft de studenten voor problemen stellen.

De aard van de afstudeerwerken veronderstelt voldoende verwerkte vakkennis. Een verhandeling die wil bijdragen tot het wetenschappelijk onderzoek vereist een kritische geest, om het onderscheid te kunnen maken tussen gevulgariseerde theorieën, nepexperimenten, geloof… enerzijds, en gerijpte theorieën en data-inzameling anderzijds.

Op stage vanuit een psychologische invalshoek (mee)spreken of handelen met mensen of een oordeel vormen, vraagt een nagenoeg afgewerkte opleiding. Meelopen in interacties met mensen vereist een met psychologische kennis ondersteunde “wijsheid”. Anders blijft de stage beperkt tot ongeëngageerd meelopen, loeren van achter de one way mirror of weinigzeggend dossierwerk.

Er moet ook voldoende tijd zijn om de stage-ervaring academisch inhoudelijk te bevruchten en/of wetenschappelijk te verwerken in een afstudeerwerk. Zo niet is de stage slechts een doodgewone verkorting van de inlooptijd in de praktijk.

Om de kwaliteit van stage en afstudeerwerk te verbeteren, verlengt men de studieduur van de licentie van twee naar drie jaar. Zo krijgt ook Gent een opleiding van vijf jaar, zoals reeds gangbaar in andere universiteiten in binnen- en buitenland.

Gedurende het decanaat van prof. Pol Coetsier (vanaf 1981/1982) wordt voor het eerst een groot eigen gemeenschappelijk gebouw betrokken in de Dunantlaan. Het is echter prof. De Coster die gedurende jaren zijn energie steekt in de verwezenlijking ervan. Verspreid over enkele jaren worden alle diensten hier samengebracht. De gebouwen aan de Coupure en aan de Pasteurlaan worden verlaten.

In de periode 1981-1985 ondergaat de faculteit een nieuwe evolutie, gevolgd door de oprichting en hervorming van een aantal labo’s. Het laboratorium en seminarie voor Toegepaste Psychologie wordt officieel in vier specialisatie-afdelingen verdeeld.

  1. het seminarie en laboratorium voor Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie (prof. Quackelbeen). Prof. Quackelbeen krijgt twee extra professoren: prof. Paul Verhaeghe (1992) en prof. Filip Geerardijn (1997).
  2. het seminarie en laboratorium Psychologische Begeleiding (prof. Rik Willemaers (1980)).
  3. het seminarie en laboratorium Organisatiepsychologie en Ergonomie (prof. Musschoot)
  4. het seminarie en laboratorium Sociopsychologie van het Bedrijfsleven en Metrische Psychodiagnostiek (prof. Coetsier). Prof. Coetsier krijgt een geassocieerd docent: prof. Rita Claes (1983).

Verder worden het laboratorium en seminarie voor Interactionele Psychologie (prof. Paulette Van Oost) (1980) opgericht en het laboratorium voor Fysiologische Psychologie en Neuropsychologie (prof. Evert Thiery) (1982).

Op 01/10/1986 gaat de laatste der Founding Fathers, prof. De Coster, op emeritaat. De aanwezige professoren zorgen voor de continuïteit, tot in 1988 het laboratorium voor Experimentele, Differentiële en Genetische Psychologie wordt gesplitst. Prof. Baeckelmans komt aan het hoofd van het seminarie en laboratorium voor Algemene en Experimentele Psychologie. Prof. Denève leidt vanaf nu het seminarie en laboratorium voor Ontwikkelings- en Persoonlijkheidspsychologie. Prof. André Vandierendonck (1990) en prof. Geert De Soete (1992) komen de Experimentele Psychologie versterken, terwijl prof. Ivan Mervielde (1992), en prof. Roger Parmentier (1992) benoemd worden in het seminarie en laboratorium voor Ontwikkelings- en Persoonlijkheidspsychologie.

In 1988 ontwikkelen zich postgraduaatspecialisaties in de Klinische Psychologie en Psychotherapie (met vier keuzerichtingen onder professoren Van Oost, Willemaers, Quackelbeen en Denève).

De vroegere dienstbibliotheken worden samengebracht in één gemeenschappelijke bibliotheek. Pas in 1992 zal deze het statuut “facultaire bibliotheek” krijgen. Ook in 1992 wordt onder de leiding van dr. Mark Schittekatte één centraal testpracticum met één testotheek opgericht. Deze dienstverlening groeit snel uit tot een onmisbare hulp bij de opleiding.

Vierde Fase: Een allround onderwijs in de Psychologie met een evenwicht tussen onderwijs, fundamenteel en toegepast onderzoek en dienstverlening

In 1992 krijgt de faculteit uiteindelijk de correcte naam faculteit van de Psychologie en van de Pedagogische Wetenschappen. Met deze naamsverandering wil men aansluiten bij wat in andere universiteiten reeds gebruikelijk is, en stellen dat de psychologie een discipline op zich is, met een eigen afgetekend praktijkveld.

Er worden vakgroepen opgericht, wat gepaard gaat met een aantal benoemingen tussen 1992 en 2000. De labo’s Algemene Pedagogiek (prof. dr. Gilberte Schuyten), Experimentele Psychologie en Sociopsychologie van het Bedrijfsleven komen tot het wijze besluit de sterk statistisch gerichte disciplines samen te brengen in één vakgroep Data-analyse.

De vakgroepen zien er de eerste jaren als volgt uit:

  • Data-analyse: Gilberte Schuyten (1973) oprichter-voorzitter, Geert De Soete (1992) en later in 1994 Wilfried De Corte (1991)
  • Experimentele Psychologie: Remi Baeckelmans (1970) oprichter-voorzitter, André Vandierendonck (1990), Geert De Soete (1992) en Marc Brysbaert (1997)
  • Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie: Leni Denève (1974) oprichter-voorzitter, Ivan Mervielde (1992), Roger Parmentier (1992), Caroline Braet (1997) en Filip De Fruyt (2000)
  • Gedragstherapie en Psychologische Begeleiding: Paulette Van Oost (1980) oprichter-voorzitter, Rik Willemaers (1981), Herbert Roeyers (1997), Geert Crombez (1998) en Ann Buysse (1999)
  • Psychoanalyse en Psychologische Raadpleging: Julien Quackelbeen (1971) oprichter-voorzitter, Paul Verhaeghe (1992) en Filip Geerardyn (1997)
  • Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie: Pol Coetsier (1968) oprichter-voorzitter, Rita Claes (1983), Wilfried De Corte (1991) Marcel Van Lerberge (1992) en Filip Lievens (2000)

In 1994 wordt, in plaats van de gemeenschappelijke eerste kandidatuur Psychologie en Pedagogische wetenschappen, een echte eerste kandidatuur Psychologie ingericht. De twee richtingen in de tweede kandidatuur (Bedrijfspsychologie en Ontwikkelingspsychologie) kunnen nu worden samengebracht in één tweede kandidatuur Psychologie. De keuze voor ontwikkelings- en klinische psychologie enerzijds en bedrijfspsychologie anderzijds blijft zo open tot de licenties.

Nu de vakgroepen goed bemand zijn, kunnen in het onderwijs meer specialismen tot hun recht komen en is er meer ruimte voor onderzoek. De ongelukkige situatie waar sommige professoren tot 12 uur les geven behoort volledig tot het verleden.

Prof. Denève wordt als eerste professor in de Pychologie van de Universiteit Gent verkozen tot lid van de Vlaamse Academie van Wetenschappen en Kunsten.

In 2000 neemt prof. Coetsier ontslag als decaan. Zijn opvolger prof. De Soete levert een succesvolle inspanning om de tweede en derde fase van de gebouwen voor de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen te realiseren. Op 07/09/2005 wordt de tweede fase ingehuldigd. Het nieuwe gebouw brengt de capaciteit van het groot auditorium van 220 naar 622 zitplaatsen en omvat 8 nieuwe leszalen, 6 practicumzalen, een nieuwe raadzaal en bureaus voor het decanaat, een aantal lokalen voor gemeenschappelijk gebruik, de nodige restauratiewerken voor de facultaire bibliotheek, een PC-knooppunt (57 zitplaatsen), facultaire onderzoekslokalen met uitgewerkte video-installaties, een skillslab, een ondergrondse parking en een restaurant (220 zitplaatsen) met keuken.

Op 12/09/2013 wordt de derde fase in gebruik genomen. Deze omvat voornamelijk onderzoekslaboratoria: 14 polyvalente onderzoekslokalen van 8m², 12 cubicles voor individueel onderzoek, 5 observatie-onderzoekslokalen met one way mirrors, 2 onderzoekslokalen in een kooi van Faraday voor electrofysiologisch onderzoek, een wachtzaal, 15 kantoren, 3 vergaderzalen, een berging, een parking met 20 plaatsen en ondergrondse parking met 22 plaatsen. Deze verwezenlijking weerspiegelt het doorzettingsvermogen van decaan De Soete.

Ook materieel is de faculteit Psychologie en Pedagogische wetenschapen nu perfect uitgerust. Het hoge aantal kandidatuurstudenten blijft op de infrastructuur wegen.

Vanaf academiejaar 2004/2005 verandert het universitaire landschap en start, in uitvoering van het decreet van 2 april 2003, de BaMa-structuur. Voortaan worden studenten aan de faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen opgeleid tot bachelor of science en master of science in de psychologie. Er wordt niet meer gesproken van opties maar van afstudeerrichtingen. Het eindwerk heet nu masterproef.

Decaan De Soete maakt handig gebruik van de veranderingen om de faculteit verder uit te bouwen en sterker onderzoekgericht te maken. Dit resulteert in een hoge kwaliteit en kwantiteit van publicaties, gestegen aandacht voor fundamenteler onderzoek en een verbreed scala aan beroepsmogelijkheden waar de afgestudeerde psychologen vandaag tewerkgesteld zijn.

Het vak psychologie wordt sinds de jaren 1985-1990 in veel studierichtingen, van middelbaar tot niet-universitair hoger onderwijs, op het programma gezet. Een afzonderlijke afstudeerrichting wordt daardoor wenselijk. De organisatorische wijzigingen aan de Universiteit en de verdere groei van de faculteit laten toe een bijkomende afstudeerrichting in de psychologie in te richten: Onderwijs.

De psychologie is intussen uitgegroeid tot één van de numeriek grootste studierichtingen van de Universiteit Gent. In academiejaar 2016/2017 zijn er 2495 studenten, 2805 inschrijvingen (door 310 dubbelinschrijvingen, vooral studenten die tegelijk voor een Bachelor- en Masterjaar inschrijven), ca 59 onderzoeks- en/of docerende professoren en 6 vakgroepen:

Het is interessant het programma van de oorspronkelijke opleiding naast het huidige programma op de website van de faculteit te leggen, om te begrijpen waarom de bezetting van 3 professoren anno 1947 (F. Fransen, M. Doms en L. Coetsier) moest stijgen naar 59 professoren anno 2017. Niet alleen de programma’s zijn uitgebreid, ook de wetenschappelijke kennis en de beroepsinhoud van de psychologie zijn enorm toegenomen. Het aantal studenten is geëxplodeerd en de plaats van de psychologie in de maatschappij is totaal veranderd. Het gaat over een evolutie met sprongen. De groei van nul professoren naar een zestigtal op 70 jaar tijd, is de vrucht van engagement, kwaliteit en noeste arbeid van voorgangers.

De UGent staat voor de discipline Psychologie op de 27ste plaats in de QS World University Ranking 2016. Op dit ogenblik beantwoorden zowel de opleidingen als het wetenschappelijk werk van de Psychologie aan de UGent aan hoge wereldstandaarden. Moge het zo blijven.

Auteur: prof. Pol Coetsier en prof. Geert Desoete (2017) 

Actoren:ingericht door: Faculteit Letteren en Wijsbegeerte
ingericht door: Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
heeft link met: Vlaamse Psychologische en Pedagogische Kring
heeft link met: Werkgroep Psychologie en Pedagogie
heeft link met: Gentse Alumni Psychologie & Pedagogiek
heeft link met: Vakgroep Experimentele Psychologie
heeft link met: Vakgroep Data-analyse
heeft link met: Vakgroep Experimenteel-Klinische en Gezondheidspsychologie
heeft link met: Vakgroep Ontwikkelings-, Persoonlijkheids- en Sociale Psychologie
heeft link met: Vakgroep Personeelsbeleid-, Arbeids- en Organisatiepsychologie
heeft link met: Vakgroep Psychoanalyse en Raadplegingspsychologie
heeft link met: Gentse Alumni Psychologie
heeft link met: Seminarie en laboratorium voor Psychologische Begeleiding
heeft link met: Seminarie en laboratorium voor Interactionele Psychologie
heeft link met: Laboratorium en seminarie voor Toegepaste Psychologie
heeft link met: Laboratorium voor Bijzondere Beroepskunde en Experimentele Psychologie
heeft link met: Laboratorium voor Fysio-Psychologie van het Bedrijfsleven
heeft link met: Laboratorium voor Psychologie
heeft link met: Divergent
heeft link met: Seminarie en laboratorium voor Fysiologische Psychologie en Neuropsychologie
sleutelrol door: Van Biervliet, Jules
sleutelrol door: De Coster, William
sleutelrol door: Fransen, Jan
sleutelrol door: Coetsier, Leo
Merlevede, Daniël
Archieven:Archief Vlaamse Psychologische en Pedagogische Kring
Verslaggeving faculteitsraad Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Verslaggeving facultaire beslissings- en adviesorganen faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Briefwisseling en dossiers decaan en decanaat faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Opleidingsprogramma's faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Verslagen examencommissie, incl. deliberatie- en proclamatielijsten faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen
Archief professor Jan Fransen
Archief professor Pol Coetsier
Archief Werkgroep Psychologie en Pedagogie
Bronnen:
  • Universiteitsarchief Gent, Archief Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, ARUG_AR0061_S001, ARUG_AR0061_S036, ARUG_AR0061_S037, ARUG_AR0061_S039, ARUG_AR0061_S040.
  • Bouckaert, Jean-Jacques. “Aard en doelstellingen van deze postgraduate specialisatiecyclus”, Mededelingen van het Laboratorium voor toegepaste psychologie en de dienst Studieadvies, nr 24, 1965.
  • Coetsier, Leo. “Toegepaste Psychologie, een vijfentwintigjarig initiatief”, Mededelingen van het Laboratorium voor toegepaste psychologie en de dienst Studieadvies, nr 24, 1965.
  • Coetsier, Pol. “Vijftig jaar opleiding psychologie aan de universiteit Gent”, Academische zitting 13 maart 1997 in de Aula van de universiteit Gent.
  • De Clerck, Karel. “75 jaar pedagogische wetenschappen aan de Gentse Universiteit.” Uit het verleden van de RUG, nr 43. Gent, Archief RUG, 2002.
  • Danniau, Fien. "Faculteitsgeschiedenis Psychologie en Pedagogische Wetenschappen. Maatschappelijk engagement in gedwongen huwelijken." UGentMemorie. Laatst gewijzigd 02.06.2015. www.UGentMemorie.be
  • Luykx, Theo, Rijksuniversiteit Gent. Liber Memorialis 1913-1960, deel 1. Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1960.
  • Luykx, Theo. Rijksuniversiteit Gent. Liber Memorialis 1913-1960, deel 2. Faculteit der Geneeskunde. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1960.
  • Luykx, Theo. Rijksuniversiteit Gent. Liber Memorialis 1913-1960, deel 3. Faculteit der Rechten. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1960.
  • Luykx, Theo. Rijksuniversiteit Gent. Liber Memorialis 1913-1960, deel 4. Faculteit der Wetenschappen. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1960.
  • Moerman, Jan. Rijksuniversiteit Gent. Faculteit der van de Landbouwwetenschappen. Liber Memorialis 1920-1970. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1970.
  • Universiteit Gent. Studiegids. Gent, UGent, 1849/1850-2017/2018.
  • Schittekatte, Mark. “Hoe kijken pas afgestudeerde psychologen en pedagogen terug op hun opleiding en hoe verloopt hun intrede in het beroep”. Rapporten van het Facultair Studiecentrum Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, nr 2. Gent, 1998.
  • Coetsier, Pol en Mark Schittekatte. “Kwaliteit, profiel, doorstroming en uitval van eerstejaarsstudenten Psychologie en Pedagogische Wetenschappen aan de RUG”. Rapporten van het Facultair Studiecentrum Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, nr 3. Gent, 1999.
  • VPUG & Dienst voor studieadvies. Vijfentwintig Promoties psychologen te Gent 1949-1973. Vereniging van Psychologen van Universiteit te Gent, 1973.
Citeren: Archief Universiteit Gent, Opleiding Psychologie, FS0077