Opleiding Moraalwetenschappen

Opleiding Moraalwetenschappen

Type:opleiding
Periode: 1963 - ...
Geschiedenis:

Bij het systematisch overlopen van de Programmaboeken en Studiegidsen van de Gentse Universiteit, zien we volgende evolutie:

1817-1820: startperiode, zonder feitelijke vermelding van moraalwetenschappen

1817-1818: In dit jaar wordt het begrip ‘moraalwetenschappen’ nog niet gebruikt. Er worden wel andere filosofische disciplines vermeld: logica (Johann-Karl-Friedrich Hauff), metaphysica (François Pierre Cassel) en historia philosophiae (Dominique Constantin München). Belangrijke opmerking: professor Hauff en professor Cassel waren allebei natuurwetenschappers (Hauff doceerde fysica en chemie, en Cassel gaf zoölogie, vergelijkende anatomie, mineralogie, enz.)

1818-1819: dezelfde drie disciplines worden vermeld, ditmaal allemaal gedoceerd door één en dezelfde professor, nl. prof. München.

1819-1820: overgangsjaar, want prof. München valt weg, “historia philosophiae” wordt afgeschaft en de twee overblijvende vakken worden gedoceerd door professor Louis Vincent Raoul, een Fransman die zich voorheen engageerde in geschied- en letterkundige vakken.

1820-1830: professor Rassmann zorgt voor continuïteit, eerste vermelding van het vak “ethica”

In het academiejaar 1820-1821 wordt professor Georg Wilhelm Rassmann aangesteld als (buitengewoon) professor voor logica, metaphysica en een nieuw filosofisch vak: “(Generalis) in Philosphiam introductio”. Deze professor is verantwoordelijk voor alle filosofische vakken tot het einde van de Hollandse periode. 

Toch vonden er enkele veranderingen plaats. Één academiejaar na zijn aanstelling blaast professor Rassmann nieuw leven in het voorheen afgeschafte vak “historia philosophiae”. In 1824 verdwijnt dit vak uit het curriculum. Vanaf 1827-1828 wordt “historia philosophiae” niet meer gegeven tot in 1829-1830. Het vak “Ethica” werd door professor Rassmann gedoceerd in 1825-1826 ("Ethica philosophica”) en in 1827-1828 ("Ethica”).

1830-1857: chaotische verloop van de “philosophie morale” 

De situatie onder de “Faculté Libre de Philosophie” is moeilijk te benaderen door de tegenvallende bronnenbeschikbaarheid. Over de discipline “moraalwetenschappen” in de jaren 1830-1835 is weinig bekend.

1835-1836: professor François Huet wordt aangesteld als buitengewoon professor binnen de “Faculté de Philosophie et Lettres” voor twee vakken: “La métaphysique et l'esthétique” en “La philosophie (logique, anthropologie, philosophie morale et histoire de la philosophie)”. Vanaf nu zal vooral aandacht besteed worden aan deze tweede, aangezien de “philosophie morale” hier constant deel  van uit maakt. Het vak “La philosophie (logique, anthropologie, philosophie morale et histoire de la philosophie)” werd trouwens over het volledige jaar gedoceerd en paste binnen het behalen van de “candidature en philosophie et lettres”, niet binnen het “doctorat en philosophie et lettres”.

1838-1839 (Nothomb, p. 1744): het vak van “La philosophie” staat in dit academiejaar in twee verschillende vakken onderverdeeld: “Logique” (enkel in de eerste semester gegeven) en “Philosophie (anthropologie, philosophie morale, histoire élémentaire de la philosophie)”, wat dan weer een jaarlijks vak is. Wanneer deze splitsing exact heeft plaatsgevonden, is onduidelijk.

1841-1842: opnieuw samenvoegingen en opsplitsingen: “Logique” wordt weer met andere filosofische topics samengevoegd en de “Histoire élémentaire de la philosophie” splitst zich af. Het resultaat is dat er in het academiejaar 1841-1842 (naast de “Métaphysique générale et spéciale”) twee afzonderlijke filosofische vakken bestaan, beide door prof. F. Huet gedoceerd: “Histoire élémentaire de la philosophie” en “Logique, anthropologie, philosophie morale”. Deze breuk is vrij belangrijk: in tegenstelling tot die van een paar jaar eerder  kent deze een grote continuïteit en blijft “geschiedenis van filosofie” een onafhankelijk vak. Opnieuw is er onzekerheid over de exacte datum van de veranderingen (tussen 1839 en 1841).

1850-1851: Een belangrijk jaar voor de moraalwetenschappen. Aangezien professor Huet op 03/09/1850 op emeritaat ging, werden meerdere nieuwe geaggregeerden als vervangers aangesteld. Zo werd het algemene vak van de filosofie verdeeld over twee geaggregeerden: het vak “Logique et anthropologie” door professor Léon Wocquier en het vak “Philosophie morale” door professor Auguste Wagener. Dit is dus de eerste keer dat de “philosophie morale” als onafhankelijke discipline gedoceerd werd. Het vak werd nog altijd geëxamineerd binnen de “candidature en philosophie et lettres”. Opgelet: het werd altijd op dezelfde dagen en op hetzelfde uur als “Logique et anthropologie” gedoceerd, dus waarschijnlijk was er sprake van een beurtrol. Deze vakken waren niet 100% losgekoppeld.

1854-1855: “Logique et anthropologie” en “Philosophie morale” werden vanaf dit academiejaar door één en dezelfde geagreggeerde gedoceerd, nl. professor Léon Wocquier (Auguste Wagener was aan de Universiteit verbonden). 

1857-1882: “philosophie morale” als deel van de psychologie

1857-1858: enige continuïteit werd ingezet door het vak dit academiejaar om te dopen tot “Psychologie, logique et philosophie morale”. Verder bleef veel hetzelfde: professor Wocquier bleef de verantwoordelijke, het paste nog altijd binnen de kandidatuur voor de Letteren en Wijsbegeerte, en het vak werd op dezelfde tijdstippen als voorheen gegeven.

1858-1859: vanaf dit academiejaar gaf (buitengewoon) professor Gustave Callier het genoemde vak.

1863-1864: in 1863 werd professor Callier op emiritaat gesteld, zodat (buitengewoon) professor Joseph Delboeuf vanaf dit academiejaar het genoemde vak doceerde.

1866-1867: professor Joseph Delboeuf  verhuisde in 1866 naar de Universiteit van Luik, zodat Oscar Merten als (buitengewoon) professor voor “Psychologie, logique et philosophie morale” werd aangesteld. Hij bleef bijna vijftien jaar verantwoordelijke voor het vak.

1882-1890: de onafhankelijkheid en bloei van “philosophie morale” onder prof. Hoffmann

1882-1883: met de indiensttreding van Peter Hoffmann (oorspronkelijk als “chargé de cours”, een jaar later als “professeur extraordinaire” en in 1886 als “professeur ordinaire”) splitst de “Philosophie morale” zich definitief af van de psychologie en logica (maar blijft er wel heel lang indirect mee verbonden). Het vak was aanvankelijk slechts semestrieel en behoorde nog steeds tot de stof van de “candidature en philosophie et lettres”. Hoffmann werd de lesgever van dit vak en bleef dit ook tot aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het eerste langdurig ‘onafhankelijke’ vak van de moraalwetenschappen is geboren.

1883-1890: professor Hoffmann organiseerde vanaf dit academiejaar facultatieve, eerder praktisch gerichte lessen, waarvan de leerstof niet werd opgenomen in het examen. Soms hebben zijn lessen betrekking specifiek op moraalwetenschappen en ethiek, soms sluiten de lessen aan bij andere thema's, zoals:

  • 18831885: Cours pratique sur Locke (essai sur l’entendement humain)
  • 18851886: Cours pratique sur la morale anglaise contemporaine
  • 18861887: Cours pratique sur J.J. Rousseau (Emile; Contrat social)

Vanaf 1888-1889 kregen deze vrije lessen een overkoepelende naam, nl. “Exercices pratiques de philosophie morale” (naast de “Exercices pratiques d’histoire de la philosophie”), waarbij Hoffmann elk jaar een specifiek moraalwetenschappelijk onderwerp behandelde:

  • 18881889: Paul Janet, La Morale
  • 18891890: Schopenhauer, Essai sur le libre arbiter

1890-1914: Structurele veranderingen richting een opleiding en uitbreiding naar andere faculteiten

1890-1891: gedurende dit academiejaar wijzigde de structuur van de Faculté de Philosophie et Lettres grondig. Zo werd de “grade de docteur en philosophie et lettres” in vier afstudeerrichtingen/afdelingen opgedeeld: philosophie, histoire, philologie classique en philologie germanique. Binnen de kandidatuur werden vakken aangepast om een correcte voorbereiding op de gekozen afstudeerrichting te voorzien. Dit weerspiegelt zich in de organisatie van de moraalwetenschappen: “philosophie morale” bleef bestaan binnen de kandidatuur, maar ter vervanging van de eerdere, facultatieve praktische oefeningen kwamen er “Exercices sur des questions de philosophie”, die professor Hoffmann samen met professor Georges Hulin en professor Jules Van Biervliet organiseerde om studenten voor te bereiden op een doctorale studie met afstudeerrichting/in de afdeling philosophie. Binnen de doctorale afstudeerrichting philosophie kwamen er nog twee vakken bij die moraalwetenschappelijke onderwerpen behandelden: “Étude approfondie de questions de psychologie, de logique et de morale” en “Analyse critique d’un traité philosophique”. Deze werden door dezelfde drie heren georganiseerd. De doctorale afdeling philosophie kan als een eerste aanzet naar een eigen moraalwetenschappelijke opleiding beschouwd worden.

1890-1891: binnen de Faculté de Droit werd een nieuw vak opgericht in het kader van het “examen de candidat notaire”. Prof. Jules Nossent doceerde “Notions de philosophie morale”. Nossent hield zich eerder al bezig met “Droit naturel ou philosophie du droit”.

1902-1903: Hoffmann richt een nieuw, facultatief, praktisch vak op in de Faculté de Philosophie et Lettres: “Discussion de problèmes choisis de morale spéciale”. De leerstof van dit vak werd niet opgenomen in de examens.

1906-1907: Nossent wordt in de Faculté de Droit vervangen door zijn voormalige assistent Jean Halleux als lesgever van het vak “Notions de philosophie morale”.

1909-1910: in het nieuwe Institut supérieur d’éducation physique (opgericht in 1908-1909) wordt een nieuw basisvak “Éléments de la philosophie (logique, psychologie et morale)“ opgericht om de graad van “candidat en éducation physique” te behalen. Dit vak wordt gegeven door Hulin de Loo en Van Biervliet.

1914-1918: Ethica en zedekunde in de vernederlandste universiteit

1914-1916: door de Duitse invasie werd de universitaire activiteiten voor twee jaar opgeschort. Pas in 1916 zou een vernederlandste Gentse universiteit haar deuren opendoen.

1916-1917: Peter Hoffmann had besloten zich aan te sluiten bij de nieuwe vernederlandste universiteit. Bovendien werd hij rector van het heropgestarte instituut. Halleux sloot zich niet aan. Ondanks de Duitse hervormingen veranderde relatief weinig aan de aangeboden lessen van de “Faculteit der wijsbegeerte en letteren” en de “Faculteit der Rechtsgeleerdheid”: de namen werd vernederlandst en er boden zich nieuwe proffen aan. De vakinhoud lijkt hetzelfde.

Voor de Faculteit der wijsbegeerte en letteren: de moraalwetenschappelijke vakken voor het “candidaats-examen” waren bv. nog steeds “Ethica” (Hoffmann) en “Practische oefeningen in de wijsbegeerte” (Hoffmann met Paul Menzerath en Lucien Brulez). Voor de afdeling filosofie  in het “doctoraalexamen in de wijsbegeerte en letteren” blijven de vakken “Grondige studie van vraagstukken uit de zielkunde, de logica en de ethica” (Hoffmann, Menzerath en Brulez) en “Critische ontleding van een philosophisch werk” (Hoffmann, Menzerath en Brulez) bestaan. Enkel de vrije leergang “Discussion de problèmes choisis de morale spéciale” houdt op met bestaan en wordt vervangen door “Bespreking van didactische vraagstukken”, wat minder binnen de moraalwetenschappen past.

Voor de “Faculteit der Rechtsgeleerdheid”: het vak “Grondbegrippen der zedekunde” werd door prof. Johannes H. Labberton gedoceerd als leerstof voor het “candidaat-notaris-examen”.

Het Institut supérieur d’éducation physique wordt afgeschaft en niet vervangen. Het vak “Éléments de la philosophie (logique, psychologie et morale)“ valt weg.

In 1917-1918 worden dezelfde vakken gegeven. Wel is een Seminarie voor Wijsbegeerte opgericht binnen de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren. De exacte datum van oprichting is onbekend. 

1919-1924: Restauratie en herstel

1919-1920: professor Hoffmann’s functie werd beëindigd. Er vond weinig verandering plaats in de vakken en structuur van de Faculté de Philosophie et Lettres: “Philosophie morale” en “Exercices sur des questions de philosophie” werden nu gedoceerd door Gaston Colle (aangesteld in 1919 als chargé de cours, professeur extraordinaire in 1922 en gewoon hoogleraar in 1925) in de “candidature”, “Étude approfondie de questions de psychologie, de logique et de morale” en “Analyse critique d’un traité philosophique” door Hulin de Loo, Van Biervliet en Colle voor de “grade de docteur en philosophie et lettres”. Bovendien keerde Jean Halleux terug naar de Faculté de Droit om “Notions de philosophie morale” te doceren. Het Seminarie voor Wijsbegeerte werd wel afgeschaft. Aan het heropgerichte Institut supérieur d’éducation physique werd “Éléments de la philosophie (logique et morale)“ (zonder psychologie ditmaal) opnieuw gedoceerd door Hulin de Loo.

1923-1924: in de Bijzondere Handelsschool, om een doctoraat in de handelswetenschappen te behalen, diende het  vak “Philosophie morale” (door Colle) gevolgd te worden.

1923-1930: vernederlandsing van de moraalwetenschappelijke leergangen

1923-1924: de eerste tekenen van de vernederlandsing van de universiteit vinden in dit academiejaar plaats. Dit academiejaar wordt “Notions de philosophie morale” aan de Faculteit der Rechten vervangen door een exclusief Nederlandstalige leergang , genaamd: “Beginselen der zedenkundige wijsbegeerte”. Colle verving Halleux als docent voor deze leergang.

1924-1925: naast “Philosophie morale” gaat Colle nu ook een Nederlandse versie van zijn vak doceren, onder de naam “Zedekunde”.  Ook krijgen de “Exercices sur des questions de philosophie” een Nederlandse evenknie: “Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte”. Aan de Franstalige doctorale vakken van de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren wordt evenwel niet geraakt. Wel wordt bijna het volledige curriculum van de “candidatuur in de lichamelijke opvoeding” vernederlandst, alsook de “Beginselen der Wijsbegeerte (Logica en Zedenleer)”. Voor deze laatste leergang werd Hulin de Loo vervangen door Colle.

1925-1926: ook de Franstalige doctorale vakken van de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren kregen nu een Nederlandstalige variant: naast de “Étude approfondie de questions de psychologie, de logique et de morale” ontstonden er nu ook drie afzonderlijke Nederlandstalige leergangen, waarvan één over moraalwetenschappen ging: “Grondige studie van vraagstukken uit de Zedenleer”. Dit vak werd gegeven door de net indiensttredende Edgar De Bruyne. Bovendien werd “Analyse critique d’un traité philosophique” volledig vervangen door drie exclusief Nederlandstalige leergangen, waaronder: “Critische ontleding van een werk over Zedenleer” (ook gedoceerd door Edgar De Bruyne).

1926-1927: de leergang “Philosophie morale” in de Bijzondere Handelsschool wordt vanaf dit academiejaar vervangen door een exclusief Nederlandstalig vak “Zedenleer”.

1927-1928: het vak “Zedekunde” krijgt een naamsverandering; het gaat vanaf dit academiejaar als “Moraalphilosophie” door het leven. Ook bij alle andere vakken wordt het woord ‘zedenleer’ vervangen door ‘moraalphilosophie’. Deze verandering is echter niet constant of altijd doorgedreven.

1928-1929: de leergang “Moraalphilosophie” in de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren wordt vanaf dit academiejaar gegeven door Edgar De Bruyne. Colle blijft wel de docent van het Franstalige “Philosophie morale”.

1929-1930: de leergang “Moraalphilosophie” in de Bijzondere Handelsschool wordt vanaf dit academiejaar gegeven door Edgar De Bruyne.

1930-1931: de volledige vernederlandsing van de Gentse universiteit. Toch verandert schijnbaar niets aan de moraalwetenschappelijke richtingen.

1931-1932: alle moraalwetenschappelijke richtingen zijn vernederlandst.

1928-1940: het ontstaan van ‘licentiaat’ en het doctoraat dat van functie verandert

1928-1929: met de creatie van het Hooger Instituut voor Opvoedkunde wordt een nieuw moraalfilosofisch introductievak opgesteld voor de kandidatuur in de opvoedkunde van dit instituut: “Zedekunde”, met professor Colle als docent.

1930-1931: het vak “Beginselen der moraalphilosophie” in de “candidatuur in het notariaat” in de Faculteit der Rechten werd afgevoerd.

1931-1932: herstructurering van opleidingen en te behalen graden: het ontstaan van licentiaten. In de Faculteit der Wijsbegeerte en Letteren: “candidatuur in de wijsbegeerte en letteren” met voorbereidende afdelingen bleef behouden en werd vanaf dan opgevolgd door het “licenciaat in de wijsbegeerte en letteren” met vijf verschillende afdelingen met een eigen studieprogramma (wijsbegeerte, geschiedenis, klassieke philologie, Romaansche philologie en Germaansche philologie). Het doctoraat krijgt zijn hedendaagse betekenis. Dit heeft ook enige implicaties op de disciplines. Hier volgt een lijst van alle moraalwetenschappelijke vakken uit het academiejaar 1932-1933:

FACULTEIT DER WIJSBEGEERTE EN LETTEREN

  • Candidatuur in de wijsbegeerte en letteren:
    • Zedenkunde (De Bruyne; in elk van de vijf voorbereidende specialisatierichtingen)
    • Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte: zedenkunde (De Bruyne; enkel in de voorbereidende afdeling der wijsbegeerte)
  • Licentiaat in de wijsbegeerte en letteren, afdeling wijsbegeerte:
    • Grondige studie van vraagstukken uit de zedenleer (De Bruyne)
    • De critische ontleding van een wijsgeerige verhandeling: zedenleer (De Bruyne)

HOOGER INSTITUUT VOOR OPVOEDKUNDE

  • Candidatuur in de opvoedkunde:
    • Zedenkunde (De Bruyne)

BIJZONDERE HANDELSSCHOOL

  • Doctoraat in de handelswetenschappen:
    • Moraalphilosophie (De Bruyne)

HOOGER INSTITUUT VOOR LICHAMELIJKE OPVOEDING

  • Candidatuur in de lichamelijke opvoeding:
    • Beginselen der wijsbegeerte: logica en moraalphilosophie (Colle)

Het bestaan van de moraalwetenschappelijke opleiding hangt een lange tijd samen met de afdeling ‘philosophie’ en ‘wijsbegeerte’, eerst in het doctoraat in de wijsbegeerte en letteren/doctorat en philsophie et lettres, en vanaf de reorganisatie in het licentiaat in de wijsbegeerte en letteren. De connectie met andere filosofische topics (psychologie en logica) wordt dan gespiegeld in de gedoceerde vakken: de ‘grondige studie van vraagstukken uit de zedenleer’, ‘critische ontleding ontleding van een wijsgeerige verhandeling: zedenleer’ en ‘Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte: zedenkunde’ sloten elk dicht aan bij twee ‘zuster’-disciplines: ‘grondige studie van vraagstukken uit de zielkunde’ (Frans Fransen), ‘grondige studie van vraagstukken uit de logica’ (Herman De Vleeschauwer), ‘critische ontleding ontleding van een wijsgeerige verhandeling: zielkunde’ (Fransen), ‘critische ontleding ontleding van een wijsgeerige verhandeling: logica’ (De Vleeschauwer),’Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte: logica’ (De Vleeschauwer) en ’Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte: zielkunde’ (Fransen).

1933-1934: De les “Beginselen der wijsbegeerte: logica en moraalphilosophie” aan het Hooger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding werd afgeschaft.

1936-1937: de les “Moraalphilosophie” in het curriculum van het doctoraat in de handelswetenschappen werd afgeschaft door de reorganisatie van het instituut. De Hoogere School voor Handels- en Economische Wetenschappen, zoals de vroegere Bijzondere Handelsschool sinds 1934-1935 genoemd werd, organiseert wel een nieuw algemeen vak, nl. “Overzicht van de wijsbegeerte: logica en zedenleer”, in de nieuw gevormde “candidatuur in de handelswetenschappen”. Dit vak wordt gegeven door prof. Herman De Vleeschauwer.

1940-1945: continuïteit: zelfde vakken en zelfde proffen

1943-1944: wel één verandering: door de reorganisatie van het Hooger Instituut voor Lichamelijke Opvoeding en de heroprichting van een kandidatuur aldaar werd een nieuw vak “Overzicht van de wijsbegeerte: logica en zedenleer” gedoceerd door prof. Herman De Vleeschauwer. Dit gebeurde in de kandidatuur in de lichamelijke opvoeding.

1945-1960: verwetenschappelijking van de filosofie: ontstaan van opleiding en seminarie

1948-1949: vanaf dit academiejaar wordt “De critische ontleding van een wijsgerige verhandeling: zedenleer” (gedoceerd door De Bruyne binnen de licentie) tweejaarlijks gedoceerd. Zo werd dit vak niet gegeven in 1948-1949, maar wel het jaar daarop. In 1950-1951 dan weer niet, enz. Bovendien werd De Vleeschauwer vervangen door André van de Vyver als docent van de leergang “Overzicht van de wijsbegeerte: logica en zedenleer” in de kandidatuur in de handelswetenschappen en in de kandidatuur in de lichamelijke opvoeding.

1955-1956: eerste stap richting meer verwetenschappelijking van de filosofische disciplines door de oprichting van drie seminaries: Seminarie voor algemene wijsbegeerte (de Bruyne als directeur), Seminarie voor estetica en metafysica (de Bruyne als directeur) en Seminarie voor logica (van de Vyver als directeur). Vooral die eerste twee zijn bijzonder interessant, aangezien prof. de Bruyne als directeur van deze twee seminaries rond deze periode ook verantwoordelijk was voor zowat alle moraalwetenschappelijke leergangen. Bovendien waren filosofie en moraalwetenschappen nog steeds nauw verbonden inzake opleiding, dus is de incorporatie van moraalwetenschappelijk onderzoek in deze seminaries niet ondenkbaar.

1957-1958: in de programmaboeken wordt er voor het eerst gesproken over afzonderlijke “kandidaturen” en “licenties” binnen de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. Dit is een indicatie dat de voormalige specialisatie- en voorbereidende afdelingen meer en meer tot volwaardige kandidaturen en licentiaten zijn aan het uitgroeien. Officieel was dit echter nog niet gebeurd, aangezien de uitgegeven academische graad nog steeds “kandidaat/licentiaat in de letteren en wijsbegeerte” genoemd werd.

Toch is het belangrijk dat een “kandidatuur in de wijsbegeerte” en een “licentiaat in de wijsbegeerte” (ook al is dit niet de officieel uitgegeven graad) meer en meer lijkt te wijzen op een volledige opleiding wijsbegeerte/filosofie, als één van de vijf afdelingen met een volledig studieprogramma binnen de faculteit. Opnieuw: deze ontwikkeling is evenwel niet zo extreem of radicaal; de grens tussen afstudeerrichting en (onofficiële) kandidatuur/licentiaat is vrij flexibel en los. De splitsing in afstudeerrichtingen bouwde in feite al sinds 1890 op naar aparte academische graden.

Bovendien betekent deze naamsverandering dan ook weinig inzake de gedoceerde disciplines. De moraalwetenschappelijke vakken blijven dezelfde en prof. de Bruyne blijft aangesteld voor deze leergangen. Voor de moraalwetenschappen onder de Bruyne is er sprake van continuïteit; de vakken behorende tot de specialisatierichtingen werden gewoon overgeheveld naar hun respectievelijke naamsopvolgers (kandidatuur/licentiaat). Ook de vakken in de andere faculteiten blijven dezelfde (zie de lijst hieronder; aan deze extra-facultaire vakken ga ik vanaf nu minder aandacht beginnen besteden, aangezien de nadruk komt te liggen op de ontwikkeling van een moraalwetenschappelijke opleiding uit de opleiding wijsbegeerte). Op een eigen opleiding zou de moraalwetenschappen ten slotte nog enkele jaren moeten wachten.

FACULTEIT DER LETTEREN EN WIJSBEGEERTE

  • Kandidatuur voorbereidend tot het doctoraat rechten of de licentie notariaat
    • Zedenkunde (de Bruyne)
  • Kandidatuur wijsbegeerte
    • Zedenkunde (de Bruyne)
    • Oefeningen over vraagstukken uit de wijsbegeerte: zedenkunde (de Bruyne; tweejaarlijks)
  • Licentie wijsbegeerte:
    • Grondige studie van vraagstukken uit de zedenleer (de Bruyne)
    • Kritische ontleding van een wijsgerige verhandeling: zedenleer (de Bruyne)
  • Aggregaat H.S.O. wijsbegeerte
    • Bijzondere metodenleer der vakken die voorkomen op het programma der atenea: zedenkunde (de Bruyne)
  • Kandidatuur geschiedenis
    • Zedenkunde (de Bruyne)
  • Kandidatuur klassieke filologie
    • Zedenkunde (de Bruyne)
  • Kandidatuur Romaanse filologie
    • Zedenkunde (de Bruyne)
  • Kandidatuur Germaanse filologie
    • Zedenkunde (de Bruyne)

HOGER INSTITUUT VOOR OPVOEDKUNDIGE WETENSCHAPPEN

  • Kandidatuur opvoedkundige wetenschappen:
    • Zedenkunde (de Bruyne)

HOGERE SCHOOL VOOR HANDELS- EN EKONOMISCHE WETENSCHAPPEN

  • Kandidatuur handelswetenschappen:
    • Overzicht van de wijsbegeerte: logica en zedenleer (Leon Apostel; in 1955-1956 doceerde Van de Vyver dit vak nog, maar in 1956-1957 werd het voor één jaar niet aangeboden. In 1957-1958 werd het opnieuw opgepikt door Apostel)

HOGER INSTITUUT VOOR LICHAMELIJKE OPVOEDING

  • Kandidatuur lichamelijke opvoeding:
    • Overzicht van de wijsbegeerte: logica en zedenleer (Emiel Leemans; vanaf 1956-1957)

1959-1963: ontstaan van een moraalwetenschappelijk seminarie onder professor Kruithof

1959-1960: omdat prof. Edgar de Bruyne eind oktober 1958 op emeritaat ging, werd een vervanger gezocht.  Jaap Kruithof werd in 1959 aangesteld als docent voor alle moraalwetenschappelijke vakken in de faculteit Letteren en Wijsbegeerte (die trouwens identiek blijven). Kruithof was ruim dertig jaar de drijvende kracht achter de verdere verwetenschappelijking en onafhankelijkheid van de opleiding moraalwetenschappen.

1960-1961: bij het emeritaat van profesor de Bruyne verdween het Seminarie voor algemene wijsbegeerte. Het Seminarie voor Logica werd sinds 1958-1959 geleid door Apostel.  Het Seminarie voor estetica en metafysica, werd in twee afzonderlijke seminaries opgesplitst, nl. in het Seminarie voor esthetica en voor oude en middeleeuwse wijsbegeerte (met Armand Janssens als directeur) en in het Seminarie voor moraalfilosofie en metafysica (met Jaap Kruithof als directeur).

1961-1962: vanaf dit academiejaar doceerde Augustijn Richard van Cauwelaert Bijzondere metodenleer der vakken die voorkomen op het programma der athenea: zedenkunde” als deel van het aggregaat H.S.O. wijsbegeerte.

1963-1995: ontstaan en ontwikkeling van een moraalwetenschappelijke opleiding onder professor Kruithof

1963-1964: dit academiejaar is het belangrijkste moment voor de moraalwetenschappen in de lange geschiedenis van de Gentse universiteit. Bij KB van 19 december 1962[1] werd er bij de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, naast de vijf bestaande afdelingen, een sectie in de moraalwetenschap opgericht (voor alle statutaire info die volgt: Programmaboek 1963-1964, p. 124). Deze sectie kreeg de titel van een ‘wetenschappelijke graad’ en kan dus niet op gelijke voet gesteld worden met de overige vijf afdelingen. De opleiding moraalwetenschap viel niet onder het ‘kandidatuur/licentiaat in de letteren en wijsbegeerte’ en heeft een eigen statuut en diploma. De faculteit Letteren en Wijsbegeerte kan zowel wettelijke (academische) diploma’s afleveren (kandidatuur/licentiaat in de letteren en wijsbegeerte, met zijn vijf afdelingen) als wetenschappelijke diploma’s (kandidatuur/licentiaat in de moraalwetenschap). Bovendien kon een extra graad behaald worden, nl. die van ‘speciaal doctor in de moraalwetenschap’.

In de eerste en tweede kandidatuur in de moraalwetenschap werden respectievelijk negen en acht uiteenlopende vakken gegeven, variërend van zedenkundige, psychologische, filosofische tot zelfs biologische, economische, criminologische en rechtskundige onderwerpen. In de eerste en tweede licentie in de moraalwetenschap werden dan weer respectievelijk tien en negen vakken gegeven, allen veel specifieker en meer uitdiepende in de ethiek en moraalfilosofie. Bovendien zitten er een paar vakken (vooral in de kandidatuur) tussen die eerder al in andere opleidingen gedoceerd werden (de moraalfilosofische heb ik hierboven behandeld). De voornaamste professoren bij deze nieuwe opleiding zijn: Jaap Kruithof (8 vakken)[2], William De Coster (4 vakken), Leon Apostel (3 vakken)[3], Pierre Lambrechts (2 vakken), Gerardina De Bock (2 vakken) Henri  Vander Eecken (2 vakken) en Augustijn van Cauwelaert (één vak: moraalpedagogiek). Kruithof speelde dus, zoals eerder al aangehaald, een centrale rol in het uitbouwen van de opleiding moraalwetenschap. Bovendien bleef hij ook de directeur van het Seminarie voor moraalfilosofie en metafysica, dat vanaf dit jaar ook aangevuld werd door een assistent: J. Van Ussel (die ook sprak bij de plechtige opening van de afdeling aan de Rijksuniversiteit)[4].

De vakken bij de overige vijf afdelingen van de kandidatuur/licentiaat in de letteren en wijsbegeerte worden trouwens ook doorgezet. Dat wil zeggen dat de moraalwetenschap nog steeds een belangrijk onderdeel uitmaakt van de opleiding wijsbegeerte.

1964-1965: het curriculum in de licentie in de moraalwetenschap werd nog sterker uitgebreid. Vanaf dit academiejaar werden er zestien verplichte vakken en twaalf keuzevakken gedoceerd. Leon Apostel gaf trouwens veel van de bijkomende vakken: over de volledige opleiding gaf hij nu zeven vakken. Ook De Coster klokt nu af op vijf vakken.

1965-1966: het Seminarie voor moraalfilosofie en metafysica wordt uitgebreid met één extra assistent, nl. Hugo Van Den Enden, die in 1977 zou uitgroeien tot een geassocieerd docent aan de universiteit en uiteindelijk zelfs vakgroep voorzitter zou worden.

1968-1969: het ontstaan van een nieuwe moraalwetenschappelijke instelling, nl. het Seminarie voor bijzondere methodiek van de moraal – H.S.O. als afsplitsing van het Seminarie voor algemene en bijzondere methodiek hoger secundair onderwijs. De directeur van deze nieuwe instelling was A.R. van Cauwelaert, een docent die toen ook enkele moraalwetenschappelijke vakken gaf (ook in de opleiding moraalwetenschappen zelf, zie boven). Bovendien is de verdere uitbreiding van het Seminarie voor moraalfilosofie en metafysica een feit doordat een extra assistent, nl. Jan Buelens, werd aangenomen. Deze man zal tien jaren later, in 1978-1979, benoemd worden tot de nieuwe directeur-diensthoofd van het Seminarie voor Bijzondere Methodiek van de Moraal.

Meer algemeen stond een grote hervorming van de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte voor de deur. De voormalige vijf afdelingen in de kandidatuur/licentiaat der Letteren en Wijsbegeerte worden overgezet in academische graden, en worden zo zelf kandidaturen en licentiaten. Met andere woorden: naast de wetenschappelijke graad “kandidatuur/licentiaat in de moraalwetenschappen” bestond er nu ook vijf wettelijke/academische graden “kandidatuur/licentiaat in de geschiedenis”, “kandidatuur/licentiaat in de wijsbegeerte”, “kandidatuur/licentiaat in de Germaanse filologie”, “kandidatuur/licentiaat in de Romaanse filologie” en “kandidatuur/licentiaat in de Klassieke filologie”. De algemene kandidatuur/licentiaat der letteren en wijsbegeerte bestaat niet meer.

1979-1980: na ruim vijf jaar een vacante positie geweest te zijn (sinds 1974-1975), werd de positie van directeur-diensthoofd voor het (hernaamde) Seminarie voor moraalpedagogiek en bijzondere methodiek van de moraal in het academiejaar 1979-1980 ingevuld door Jan Buelens.

1980-1981: om de evolutie van de opleiding te schetsen geef ik hier een kort overzicht van lessen/proffen die er sinds 1963 zijn bijgekomen. In totaal waren er maar liefst 25 vakken in de kandidatuur, waarvan een heel deel keuzevakken. Ook het licentiaat is veel meer uitdiepend: er is meer vrijheid van keuze en meer mogelijkheid tot specialisatie en verdere uitdieping in meerdere richtingen. Inzake academisch personeel is Kruithof nog altijd prominent aanwezig; hij doceerde maar liefst negen vakken. Ook De Coster en De Bock bleven aangesteld voor een groot aantal vakken van respectievelijk psychologische en criminologische aard. Verder was professor Etienne Vermeersch, aangesteld in 1967, uitgegroeid tot een belangrijk man in de moraalwetenschappen. Zo doceerde hij vijf vakken in de opleiding en was hij directeur-diensthoofd voor het Seminarie voor hedendaagse wijsbegeerte. Leon Apostel was sinds 1979 in emeritaat getreden en van Cauwelaert was vervangen door Jan Buelens, die nog steeds het directeur-diensthoofd van het Seminarie voor moraalpedagogiek en bijzondere methodiek van de moraal was.

1984-1985: een nieuwe moraalwetenschappelijke opleiding wordt gevormd: licentie in morele begeleiding. Deze opleiding vormt een uitdiepende invulling van de moraalwetenschappen, waarbij meer nadruk wordt gelegd op praktijk-gebaseerde leerstof, in plaats van op algemene vorming. Zo wordt er bijvoorbeeld in deze opleiding, in tegenstelling tot in de licentie voor moraalwetenschappen,  een “stage in ziekenhuizen en verpleegtehuizen, leger, gevangenissen, jeugdtehuizen onder medetoezicht van een persoon uit de instelling” voorzien. Deze opleiding bevat vier groepen van vakken:[5] basisvorming in de ethiek, ideologisch-wijsgerige vorming, toegepaste ethiek en ethiek van de hulpverlening, en ten slotte menswetenschappelijke vakken. Verder blijven de proffen en verantwoordelijke leden van het academisch personeel grotendeels dezelfde als hierboven geschetst.

1992-1993: alle wetenschappelijke graden werden overgezet naar academische graden. Ook de opleiding moraalwetenschap kreeg dus een academische graad. Daarmee werd ze tot op hetzelfde niveau getild als de overige opleidingen aan de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte. De opleiding moraalwetenschappen wordt ook geherstructureerd. Naast gemeenschappelijke vakken zijn er algemene vakken en keuzevakken, die in de lijn liggen van de vakken die al eerder gedoceerd werden. Bovendien werden de seminaries geherstructureerd en komen vakgroepen op in de plaats. Zo werd de Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap de nieuwe bestuurlijke vertegenwoordiger van het moraalwetenschappelijk (en filosofisch) vakgebied. De voorzitter van de vakgroep was Etienne Vermeersch.

1995-: recente ontwikkelingen

1995-1996: professor Kruithof gaat na een lange carrière op emeritaat. Het merendeel van zijn taken worden overgenomen door Hugo Van Den Enden, met wie professor Kruithof jaren samenwerkte (zie boven).

1996-1997: professor Etienne Vermeersch gaat op emeritaat. Professor Diderik Batens, die sinds 1981 verbonden is aan de opleiding moraalwetenschappen, wordt de nieuwe vakgroepvoorzitter. Vermeersch’ vakken in de opleidingen moraalwetenschappen en morele begeleiding worden gedeeltelijk overgenomen door professor Freddy Mortier, die dat academiejaar zijn intrede maakte in de opleiding moraalwetenschappen en morele begeleiding.

1999-2000: professor Hugo Van Den Enden vervangt professor Batens als vakgroepvoorzitter. Bovendien wordt de opleiding licentie in morele begeleiding dit academiejaar voor de laatste maal onderwezen (voor zij die reeds een jaar in dit opleidingstraject zaten). Vanaf 2000-2001 gaat definitief een nieuwe regeling in die twee afstudeerrichtingen voorziet: moraalwetenschappen en een nieuwe ‘optie’, nl. een specialisatierichting in morele begeleiding.

Geschreven ahv Programmaboek / Studiegids UGent door Roman Roobroeck, 2016.

 


[1] Publicatie: 19-03-1963; nummer: 1962121910; bladzijde: 2907; Dossiernummer: 1962-12-19/

[2] Sprak op de plechtige opening van de afdeling moraalwetenschap; zie De Brug 1964, p. 29

[3] Sprak op de plechtige opening van de afdeling moraalwetenschap; zie De Brug 1964, p. 25

[4] De Brug 1964, p. 24

[5] Programmaboek 1993-1994, p. 

Actoren:heeft link met: Vakgroep Wijsbegeerte en Moraalwetenschap
heeft link met: Alumni Gentse Filosofen en Moraalwetenschappers
heeft als medewerker: Rassmann, Georg
Hauff, Johann
Cassel, François
München, Dominique
Raoul, Louis Vincent
Huet, François
Wocquier, Léon
Wagener, Auguste
Callier, Gustave
Delboeuf, Joseph
Merten, Oscar
Hoffmann, Peter
Hulin De Loo, Georges
Van Biervliet, Jules
Nossent, Jules
de Halleux, Jean
Menzerath, Paul
Brulez, Lucien
Labberton, Johan
Colle, Gaston
De Bruyne, Edgar
Fransen, Jan
De Vleeschauwer, Herman
van de Vyver, André
Apostel, Leo
Leemans, August
Kruithof, Jaap
Janssens, Armand
Van Cauwelaert, Augustijn
sleutelrol door: De Coster, William
Lambrechts, Pieter
De Bock, Gerda
Van Den Enden, Hugo
Buelens, Jan
Vermeersch, Etienne
Batens, Diderik
Mortier, Freddy
Bronnen:

DE COCK (N.), De moraal aan het verhaal. Een reportage over de beginjaren van 40 jaar Gentse Moraalwetenschappen. In: Ethiek en Maatschappij, 2003, nr. 3 en 4, p. 189-209.

COOMAN (S.), Interview met prof. Johan Braeckman n.a.v. het overlijden van em. prof. Jaap Kruithof, In: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12, nr. 2; juni, 2009, p. 1-7. Dwarsdenken. Omtrent Jaap Kruithof. (Berchem, EPO, 1989).

DE VISSCHER (J.), De morele en ideologische bewogenheid van Jaap Kruithof, In: Ons Erfdeel, 33, 1990, pp. 494-500.

VERMEERSCH (E.), “Universiteit Gent verliest met Jaap Kruithof een van zijn iconen”, In: De Standaard, 27/02/2009

www.etiennevermeersch.be (geraadpleegd 14 november 2011)

www.schamper.be (artikels over Koenraed Raes, Freddy Mortier, Jaap Kruithof,...) (geraadpleegd op 14 november 2011)

https://biblio.ugent.be/publication/8510431/file/8510435 https://lib.ugent.be/catalog/rug01:000030102

Citeren: Archief Universiteit Gent, Opleiding Moraalwetenschappen, FS0076