| Type: | discipline |
| Periode: | 1892 - 2000 |
| Beschrijving: | Met dialectologie wordt de studie van de geografisch gedetermineerde taalvariatie bedoeld. In wat volgt, vat ik de term dus op als de naam voor bestudering van de oraal overgeleverde, niet gecodificeerde en geografisch gedifferentieerde taalvormen, die de moedertaal waren van het grootste deel van de Vlaamse bevolking tot de jaren 60 van de vorige eeuw. Het feit dat die taalvormen niet gecodificeerd zijn, en ons vanuit een ver verleden zijn overgeleverd, verklaart het wetenschappelijk belang ervan. De taal als menselijk verschijnsel, met inbegrip van de studie van taalverandering, kan immers het beste bij niet-gecodificeerde taalvormen bestudeerd worden. De taalgeschiedenis van het Nederlands kan overigens niet zonder de dialectologie beschreven worden. Een erg algemene misvatting is dat dialecten ontstaan zijn door 'verbastering' van de Nederlandse cultuurtaal door ongeletterde mensen. Uiteraard spraken de Vlamingen vroeger geen Algemeen Nederlands, dat dan achteraf door verloedering dialect is geworden. De huidige dialecten gaan terug op de Middelnederlandse en Oudnederlandse voorgangers ervan, en bevatten daardoor dikwijls kenmerken die in het Algemeen Nederlands verdwenen zijn, maar van belang zijn voor de reconstructie van oude taalfasen. Wel is het zo dat dialect sociaal gestigmatiseerd is: men kan niet in elke situatie dialect praten. Dialect is de taal van de kleinschaligheid (familie, vrienden, eigen gemeente) en de solidariteit; Algemeen Nederlands is dan de taal van de openbaarheid, van de schrijftaal, van school, rechtbank en wetenschap … kortom, van alle hogere maatschappelijk functies. Dialect en Algemeen Nederlands zijn geen vijanden van elkaar, maar kunnen naast elkaar bestaan - elk met hun eigen functie en situationele context. |
| Geschiedenis: | De traditionele dialecten wekken vanaf het midden van de 19de eeuw de wetenschappelijke belangstelling - de historische taalkunde bepaalt dan nog het wetenschappelijke paradigma van de taalkunde in heel West-Europa. Dialectonderzoek is tot de jaren 70 van de vorige eeuw dus niet zomaar een taalkundige subdiscipline, maar staat - samen met de historische taalkunde - in het centrum van de taalkundige activiteiten van de meeste professoren Nederlandse Taalkunde in Gent en Leuven. Voor de Leuvense universiteit memoreren we figuren als Ludovic Grootaers (stichter van de Zuid-Nederlandse Dialectcentrale 1922-1956), Jan Pauwels en Jan Goossens. Voor de UGent hebben we het verderop over Jozef Vercoullie, Edgard Blancquaert, Willem Pée, Valère Vanacker, Johan Taeldeman, Magda Devos en Jacques Van Keymeulen. Binnen de dialectologie kan men het taalsysteem van één enkel plaatselijk dialect beschrijven - de oudste studie gaat over Aalst en is van de hand van de Leuvense oriëntalist Ph. Colinet (1896)- net zoals men dat ook voor een cultuurtaal kan doen. Toch is gaandeweg vooral de dialectgeografie toonaangevend geworden. Dialecten zijn inderdaad per definitie geografisch gedifferentieerde taalsystemen en het vervaardigen en interpreteren van taalkaarten ligt dus voor de hand. Daartoe zijn wel reusachtige verzamelingen taalgegevens nodig, die alle bij de dialectsprekende bevolking opgevraagd moeten worden. Sommige projecten duurden daardoor soms tientallen jaren. |
| Actoren: | Vakgroep Nederlandse Taalkunde Vakgroep Taalkunde Fonetisch Laboratorium Blancquaert, Edgard Vercoullie, Joseph Frédéric Pée, Willem Vanacker, Valère Van Keymeulen, Jacques Devos, Magdalena |
| Thema's: | Projecten Variatielinguïstiek van het Nederlands Project Stemmen uit het Verleden |
| Archieven: | heeft link met: Archief Project Woordenboek van de Vlaamse Dialecten heeft link met: Grammofoonplaten 'Nederlandsche Phonoplaten' heeft link met: Archief Project Reeks Nederlandse Dialectatlassen heeft link met: Archief Project Stemmen uit het Verleden |
| Citeren: | Archief Universiteit Gent, Discipline Dialectologie, FS0093 |