Directie Gebouwen en Facilitair Beheer

Directie Gebouwen en Facilitair Beheer

Type: administratie centraal
Andere namen: afkorting: DGFB (2002)
naamsverandering: conservateur des bâtiments et du mobilier de l’Université de Gand et de l’Institut de Sciences (1895-1911)
naamsverandering: conservateur général des bâtiments et du mobilier de l’Université (1912-1923)
naamsverandering: algemeen bewaarder der gebouwen en mobilair der Universiteit (1923-1931)
naamsverandering: Dienst Gebouwen en Mobilair (1931-1948)
naamsverandering: Technische Dienst (1948-1957)
naamsverandering: Dienst Elektriciteit (1948-1957)
naamsverandering: Algemeen Technische Diensten (1957-1972)
naamsverandering: Gebouwendienst (1972-1987)
naamsverandering: Technische dienst (1972-1987)
naamsverandering: Gebouwen, Beheer en Onderhoud (1987-2002)
naamsverandering: Directie Gebouwen en Facilitair Beheer (2002)
ook gekend als: Algemeen conservateur der universiteitsgebouwen (1916-1918)
Periode: 1895-...
Functies:De directie Gebouwen en Facilitair Beheer (DGFB) verzorgt infrastructuur en facilitaire dienstverlening voor de universiteit.
Geschiedenis: Het reglement op de organisatie van het Hoger Onderwijs in de zuidelijke Nederlanden (25 september 1816) bepaalde dat de stad waar de universiteit gevestigd was de nodige gebouwen voor het onderwijs moest voorzien. Het college van curatoren (waarin o.m. de burgemeester van de stad zetelde) werd belast met het toezicht op de academische gebouwen, collecties en kabinetten. De kosten voor verbouwingen, herstellingen en onderhoud waren voor rekening van het departement waterstaat en openbare werken.
De stad Gent stelde verschillende gebouwen ter beschikking van het universitair onderwijs o.a. het Pakhuis op de Korenmarkt, het oude Jezuïetenklooster in de Voldersstraat, een voormalige kapel in de Korte Dagsteeg. Eind 1817 werden ook de gebouwen en de collecties van stadsbibliotheek en de botanische tuin aan de universiteit overgedragen. Reeds in 1816 had de Gentse gemeenteraad besloten een gloednieuw gebouw voor de academische plechtigheden op te trekken. De Aula in de Voldersstraat, ontworpen door stadsarchitect L. Roelandt kon in 1826 in gebruik worden genomen. Dezelfde architect voorzag ook de bibliotheek van een nieuwe voorhal en tekende eveneens de plannen van de universitaire gebouwen die verrezen op de gronden van het oude Jezuïetenklooster, palend aan Aula.
De organieke wet van 27 september 1835 voorzag staatskredieten voor de bibliotheek, plantentuin, kabinetten en collecties en voor onderwijsdoeleinden. De uitgaven voor de bouw, de herstelling en het onderhoud van de gebouwen aan de universiteit geaffecteerd werden ten laste van de universiteitsstad gelegd. De beheerder-inspecteur moest in samenspraak met de plaatselijke autoriteiten waken over het behoud en onderhoud van de gebouwen.

In het derde kwart van de 19de eeuw nam de Gentse studentenbevolking gestaag toe en werden de bouw en inrichting van nieuwe lokalen meer dan noodzakelijk. Aangezien de kosten van de aankoop en het beheer van de universiteitsgebouwen hoog opliepen en de begroting van de universiteitssteden onder druk kwam te staan, voorzag de wet van 4 augustus 1879 een eerste staatskrediet voor gebouwen. Te Gent werd met dit krediet de werken aangevat aan het Institut des sciences. Met de stad Gent werd een overeenkomst gesloten waarbij de stad voor ¼ hoefde te participeren in de bouwkosten. Dit was een precedent aangezien staat en stad later geregeld onderhandelden over deze verdeelsleutel. Na de eerste wereldoorlog zijn er geen sporen meer terug te vinden van enige stadsparticipatie in de financiering van universitaire bouwprojecten. 
De toenemende overheidsparticipatie in de universiteitsgebouwen resulteerde aan de Gentse universiteit in de aanstelling van een conservator voor de gebouwen. Bij KB van 6 september 1890 werd C. Vanhamme aangesteld tot surveillant des bâtiments du génie civil en vanaf 1895 bekleedde hij de nieuwe functie van conservateur des bâtiments et du mobilier de l’Université de Gand et de l’Institut des sciences. In het academiejaar 1925-1926 werd bij het personeel van het ‘beheer en opzicht ‘ ook een tekenaar-magazijnier naast de algemeen bewaarder van de gebouwen en mobilair vermeld.
In het academiejaar 1931-1932 is er voor het eerst sprake van een ‘dienst gebouwen en mobilair, ’ nog steeds bestaande uit de algemeen conservator en de tekenaar-magazijnier. Het was geen uitgebreide dienst aangezien aan het universitaire bouwbeleid geregeld werd door het ministerie van Openbaar Onderwijs te Brussel. Daar zou één ministerieel ambtenaar aangesteld zijn om de bouwwerken goed te keuren en te laten uitvoeren. In deze periode werden meerdere gebouwen gezet, zoals het Technicum, de veeartsenijschool op de Coupure en de universiteitsbibliotheek. Ook met het Academisch Ziekenhuis werd gestart.

In juli 1942 deelde het Cabinet van den Beheerder-inspecteur de reorganisatie van de diensten van het beheer mee. Voortaan bestond het beheer uit vijf diensten waaronder een dienst materiële organisatie en een dienst economaat.
De dienst materiële organisatie, geleid door de algemene conservator, werd belast met de voorstudie van vraagstukken die betrekking hebben tot de oprichting, de aanschaffing, de ombouw en herstellingen van gebouwen, terreinen en technische installaties m.a.w. alle werken die de gebruikswaarde van het patrimonium verhogen en daardoor ten laste vallen van de eigenaar. Deze dienst zou verder ook de verzoeken behandelen die verband houden met de aanschaffing of de afstand van meubilair, machines, toestellen, materiaal en dienst- en kantoorbenodigdheden. Naast de algemene conservator telde deze dienst drie personeelsleden.
Het economaat, geleid door de econoom, werd bevoegd voor de bewaring en het lopend onderhoud van de hele materiële uitrusting waarvan de kosten ten laste vallen van de huurder (gas, water, elektriciteit, verwarming, schoonmaak, schilderwerken, gebruik van lokalen, kleine herstellingen, alsmede het opmaken van de loonstaten van het tijdelijk personeel dat tot de dienst behoort. Ook de uitvoering van werken, aan de beheerder-inspecteur opgedragen door de Dienst voor Materiële Organisatie, behoorden tot de taken. De dienst bestond uit de econoom, 2 preparatoren-technici, 2 preparatoren, 10 full-time en 12 part-time huisbewaarders en 14 dienstjongens en werklieden.

Blijkbaar voldeed deze hervorming niet volledig gezien op reeds 31 december 1942 de secretaris-generaal van het ministerie van Openbare Werken bij wijze van proef besliste om een bijzondere gebouwendienst voor de Rijksuniversiteit Gent op te richten, belast met ‘de oplossing van al de vraagstukken, in verband met onze gebouwen en welke tot de bevoegdheden van ons Departement behoren zodat in de toekomst de gebouwenaangelegenheden door één en dezelfde dienst ingestudeerd en uitgevoerd worden’.
Dit leidde in april 1943 tot een nieuwe bevoegdheidsafbakening van wat nu als technische diensten werd omschreven. Deze bestaan nu uit:
1. De dienst van de algemene conservator bevoegd voor de controle van het meubilair en van de uitrusting, de aankoop en het magazijn voor kantoorbenodigdheden en kuisgerief, centraliseren van aanvragen van bijzegels, het opmaken van loonstaten van het tijdelijk personeel dat tot de dienst behoort. Naast conservator J. Vanden Ostende bestaat de dienst uit 1 personeelslid en de huisbewaarders.
2. De gebouwendienst, werd bevoegd voor alle vraagstukken in verband met gebouwen (verwarming, verlichting, sanitair) en met de meubilering, zijnde het onderzoek naar de behoeften, alsook de eventuele afhuring, aanbesteding, de materiaalvergunningen, de oplevering der werken, de betaalaanvragen, het gebruik en de afstand en de eventuele afbraak. Ook het onderhoud van het bestaand meubilair, de aankoop van grondstoffen en de controle van de magazijnen die verband houden met het onderhoud van de gebouwen, de aankoop van kolen en brandhout, het opmaken van de loonstaten van het tijdelijk personeel dat tot de dienst behoort, het overmaken van de nodige inlichtingen voor bijzegels aan de algemene conservator, het opmaken van een maandelijkse staat van de nieuwe meubels en de herstelling van bestaande en deze overmaken aan de algemene conservator. Het diensthoofd Prosper Zerck heeft de leiding over 4 bedienden, de stokers, de metsers, de schilders, de elektriekers en de schrijnwerkers.
3. De centrale dienst, bevoegd voor het schoonmaken van de gebouwen, de verhuizingen, de controle over de blustoestellen, het vervoer van brandstoffen en afvalproducten, de controle over gas, water en elektriciteit, het opmaken van de loonstaten van het tijdelijke personeel van de dienst, het overmaken van de nodige inlichtingen voor bijzegels aan de algemene conservator, het opmaken van een maandelijkse staat van meubels of instrumenten die in een andere lokalen zijn overgebracht en deze overmaken aan de algemene conservator. De leiding berustte bij L. Wunghel en de dienst bestond nog uit 1 bediende, de schoonmakers, de kuisvrouwen en de verhuisploeg.

Het Regentsbesluit van 23 oktober 1946 bepaalde dat het ministerie van Openbare Werken bouwheer werd van de universitaire gebouwen. Sindsdien was de Gentse universiteit afhankelijk van twee ministeries: openbaar onderwijs voor het nemen van de beslissingen inzake bouw- en verbouwingswerken en openbare werken voor de uitvoering van de werken. In die periode werd de Dienst Gebouwen en Mobilair geherstructureerd tot de Technische Dienst en de Dienst Elektriciteit (1948).
De wet van 28 april 1953 bepaalde dat de Rijksuniversiteit Gent meer autonomie kreeg. De Raad van Beheer kon onder voorzitterschap van de rector een lijst van de uit te voeren bouw-, verbouwings- en onderhoudswerken uitwerken en overmaken aan de bevoegde overheid. Daarnaast voorzag de wet van 22 juli 1953 een Fonds dat aanzienlijke sommen voor de uitvoering van bouwprojecten ter beschikking stelde. Vanaf 1953 waren beide Technische Diensten bij de Diensten van de ondervoorzitter van de Raad van Beheer gevoegd.

In meerdere verzoekschriften drong de Raad van Beheer bij de minister aan op meer autonomie en de oprichting van een gebouwendienst bij de universiteit van Gent. In 1957 keurde de raad van beheer het voorstel van de ondervoorzitter van de raad goed tot inrichting en werking van de diensten van de Raad van Beheer. Er werd toen o.m. een technische dienst ingericht. De technische dienst kreeg de opdrachten
- het bestuderen van uit te voeren werken, de coördinatie ervan en de uitvoering van de beslissingen,
- het opstellen en afdrukken van bestekken voor het uitvoeren van leveringen en werken,
- het opmaken van plannen en uitvoeringstekeningen, kostenramingen,
- werfbezoeken en -verslagen,
- voorlopige en definitieve oplevering van werken en leveringen,
- het uitvoeren van meubelwerken en onderhoudswerken,
- het opmaken, bijhouden en nazicht van de inventaris der Rijksgoederen bestaande in de Universitaire diensten,
-magazijnbeheer,
- het technisch adviseren over de opportuniteit van de onderhoudswerken en leveringen, aangevraagd door de verschillende diensthoofden,
- het onderzoeken van de markten en controleren van de prijzen en de waarde van de aangeboden goederen,
- het nazicht van het water-, elektriciteits- en gasverbruik,
- werkzaamheden in verband met het inrichten van tentoonstellingen examens, festiviteiten m.b.t. het logistiek beheer van de lokalen,
- het vervoeren van materiaal en afval.

In de volgende jaren bevorderden verschillende wetten de uitbouw van de universitaire voorzieningen. Bij wet van 22 april 1958 werden twee fondsen ingericht, nl. een Fonds voor onderwijsgebouwen en gebouwen in schoolverband van het Rijk en houdende maatregelen betreffende de onroerende installaties in de inrichtingen voor universitair onderwijs en een Fonds voor Hoger-onderwijsgebouwen en studentenverblijven van het Rijk. Dit liet de universiteit toe extra subsidies aan te vragen voor bouwwerken die geheel of gedeeltelijk bekostigd werden door de staat. De wet van 3 augustus 1960 bepaalde dat de Belgische universiteiten jaarlijks van het Ministerie van Nationale Opvoeding een toelage ontvingen voor de uitbouw en werking van sociale diensten, oriënterings­diensten, studenten­restaurants en studenten­residenties. De wet van 9 april 1965 bepaalde dat de Belgische universiteiten voor de bouw van sociale voorzieningen leningen - op lange termijn en tegen een lage rentevoet - zouden kunnen afsluiten. In dezelfde wet werd vastgelegd dat de dotatie van het Fonds voor Hoger-onderwijsgebouwen en Studenten­verblijven verhoogd werd. Deze gunstige financiële constellatie leidde tot een enorme bouwactiviteit aan de universiteit wat ook de aanwerving van het nodige personeel impliceerde.

Op 17 mei 1972 werd door de Raad van Beheer beslist de Algemene Technische Diensten op te splitsen in twee autonome diensten, namelijk de Gebouwendienst en de Technische Dienst. De Gebouwendienst zou de sector nieuwbouw omvatten en de Technische Dienst hield zich in met onderhoudswerken en bijhorende. Sinds 1972-1973 behoorden beide diensten onder de koepel ‘Diensten van de administrateur’. De diensten waren maar pas gescheiden wanneer de economische crisis van de jaren 1970 en het daaruit voortvloeiende besparingsbeleid de universiteit tot een herziening van haar gebouwenpolitiek dwong.

In 1987 werden de bestaande Gebouwendienst en de Technische Dienst en het algemene gebouwenbeleid van de universiteit doorgelicht door ererector Daniël Vandepitte. D. Vandepitte stelde de versmelting voor van de Gebouwendienst en de Technische Dienst tot de Dienst Gebouwen, Beheer en Onderhoud (GBO). Ook de hervorming van de bouwcommissie en rationalisaties inzake beleidsopties en beheerstechnische maatregelen stelde hij in het vooruitzicht. De nieuwe structuur met de inrichting van de Dienst GBO als rectorale dienst werd eind 1987 goedgekeurd.
Zoals de overige rectorale diensten werd de GBO geleid door een coördinator, die de werking coördineerde van de afdelingen : Algemeen Secretariaat, Elektriciteit en Telefonie, Verwarming, Klima, Koeling en Verluchting, Bouw en Ontwerp, Onderhoud, Magazijnen en Dispatching, Dringende ingrepen.

De Dienst Gebouwen, Beheer en Onderhoud is in 2002 door het STeR-project een laatste keer ingrijpend hervormd tot de Directie Gebouwen en Facilitair Beheer. Deze Directie beoogt het aanbieden van een optimale infrastructuur en facilitaire dienstverlening aan de diverse geledingen van de universiteit. Het takenpakket wordt gerealiseerd in vier afdelingen, nl. het Administratief Bureau, het Facilitair Bureau, het Projectbureau en het Technisch bureau.

Elienne Langendries, Archivaris, 2010
Directeur: Van Damme, Els (2002-2023)
Lauwereys, Ellen - waarnemend (2023)
Structuur:De directie Gebouwen en Facilitair Beheer is een van de 9 directies binnen de Centrale Administratie en valt onder de bevoegdheid van de logistiek beheerder.

De directie omvat de volgende afdelingen in 2022:
-  Administratief bureau
- Facilitair Bureau
- Projectbureau
- Technisch bureau
Actoren:onderdeel van: Universiteitsdiensten (2002-)
heeft opgenomen: Permanentie- en Preventiedienst (2002)
heeft opgenomen: Het Pand (2002)
heeft als hoofd: Beheerder-inspecteur
heeft als hoofd: Ondervoorzitter van de Raad van Beheer
Archieven:Plannen Universiteit Gent
Archief Directie Gebouwen en Facilitair Beheer
Archief Technische Dienst
Websites en socials:Directie Gebouwen en Facilitair Beheer (DGFB), geraadpleegd op 30/09/2022.
Bronnen: Archief Universiteit Gent, Notulen Raad van Beheer, 10/07/1957, pt 7, p. 10-12.
Archief Universiteit Gent, Notulen Raad van Beheer, 30/9/1987.
Archief Universiteit Gent, Kabinet van de beheerder-inspecteur, de ondervoorzitter van de raad van beheer en van de administrateur, 151. Dienstorder nr 2, 1 juli 1942, ARUG_3C1/2.
Archief Universiteit Gent, Brief van de beheerder a.i. aan M. Wolters 22 maart 1943.
Archief Universiteit Gent, Circulaire nr 18, 30 april 1943.
Archief Universiteit Gent, Kabinet van de rector, 1889-1890, doos 48, 202. Administratief personeel, ARUG_4A2/4.
"Arreté royal portant reglement pour l’execution de la loi organique de l’enseignement supérieur, 3 december 1835." Nothomb, Jean-Baptiste. Etat De L'instruction Supérieure En Belgique. Rapport Présenté Aux Chambres Législatives Le 6 Avril 1843, deel II. Bruxelles, Em. Devroye, 1844, p. 1001-1005.
De Winter, Sofie. Het archief uit de centrale administratie van de Universiteit Gent en de overdracht ervan naar de archiefdienst. Onuitgegeven masterproef, Vrije Universiteit Brussel, 1996, p. 22-23.
Luykx, Theo. Gedenkboek van de Rijksuniversiteit Gent na een kwarteeuw vervlaamsing 1930-31 - 1955-56. Gent, Rijksuniversiteit Gent, 1957, p. 53-67.
Langendries, Elienne en Anne-Marie Simon-Van der Meersch. Het Rommelaere Complex. Onderdeel Van Het Gebouwenmasterplan Voor De Gentse Universiteit Op Het Einde Van De 19de Eeuw. Gent, Archief van de Rijksuniversiteit Gent, 1999.
"Règlement sur l’organisation de l’enseignement supérieur dans les provinces méridionales du royaume des Pays-Bas, 25 septembre 1816." Nothomb, Jean-Baptiste. Etat De L'instruction Supérieure En Belgique. Rapport Présenté Aux Chambres Législatives Le 6 Avril 1843, deel I. Bruxelles, Em. Devroye, 1844, p. 284.
"Wet houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen, 3 augustus 1960." Belgisch Staatsblad, 23 augustus 1960, p. 6303.
"Wet houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie, 9 april 1965." Belgisch Staatsblad, 27 april 1965, p. 4494.
"Wet tot oprichting van een Fonds voor Schoolgebouwen en Gebouwen in schoolverband van het Rijk en van het Fonds voor Hoger-onderwijsgebouwen en Studentenverblijven van het Rijk, 22 april 1958." Belgisch Staatsblad, 10 mei 1958, p. 3716.
"Wet houdende oprichting van een Fonds voor schoolgebouwen en universitaire gebouwen van het Rijk, 22 januari 1953." Belgisch Staatsblad, 15 juli 1953, p. 4514.
Directie Gebouwen en Facilitair Beheer (DGFB), geraadpleegd op 07/11/2022.
Citeren: Archief Universiteit Gent, Directie Gebouwen en Facilitair Beheer, AU0068